<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17798</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-29T11:21:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.39806</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17798">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17798</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-29T11:21:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17798 Rechtbank Den Haag , 29-09-2025 / NL25.39806</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17798:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>RTB</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17798:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.39806</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], V-nummer: [nummer], eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Eiseres heeft op 21 augustus 2025 beroep ingesteld tegen het besluit van 24 juli 2025. Op<?linebreak?>18 september 2025 zijn de gronden van beroep ingediend. Verder is verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL25.44221).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet uitspraak op het beroep zonder zitting.<footnote-ref linkend="_5dbd801b-ce36-45e2-a827-e88a80974289" /> Op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres betoogt dat met het terugkeerbesluit onvoldoende rekening is gehouden met het recht op familieleven en gezinsleven. Ze heeft in Nederland een relatie die door het terugkeerbesluit niet kan worden voortgezet in Nederland of Europa. Ook is geen rekening gehouden met het privéleven van eiseres in Nederland. Ze woont en werkt in Nederland, heeft haar opleiding afgerond en wil een vervolgopleiding aanvangen. Eiseres meent verder dat het haar vanwege de bevriezingsmaatregel was toegestaan om in elk geval tot <?linebreak?>4 september 2025 rechtmatig in Nederland te blijven. Het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel staan aan de beëindiging in de weg. Andere lidstaten hebben de bescherming voor de facultatieve groep niet beëindigd. Er is tevens sprake van een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. De Richtlijn Tijdelijke Bescherming en de handelwijze van de minister geven aanleiding tot ambtshalve toetsing van artikel 8 van het EVRM. Tot slot betoogt eiseres dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Beëindiging van de tijdelijke bescherming met ingang van 4 maart 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. <?linebreak?>Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is reeds gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).<?linebreak?></para>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Bij uitspraak van 17 januari 2024 heeft de ABRvS bepaald dat de tijdelijke bescherming van derdelanders met een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning die vóór<?linebreak?>19 juli 2022 ingeschreven waren in de BRP op 4 maart 2024 eindigt.<footnote-ref linkend="_3c998e96-6040-4eb5-ae10-57c6915613d9" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Bij brief van 7 februari 2024 is eiseres bericht dat 4 maart 2024 de laatste dag is waarop zij recht heeft op tijdelijke bescherming en dat dit recht automatisch stopt na<?linebreak?>4 maart 2024.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Bij arrest van 19 december 2024 heeft het Hof van Justitie -kort samengevat- geoordeeld dat de vroegtijdige beëindiging rechtmatig is.<footnote-ref linkend="_7a939275-548f-4444-b400-8bf212eb9b5f" /></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij uitspraak van 23 april 2025 heeft de ABRvS bevestigd dat de minister bevoegd is om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op een tijdstip gelegen voor de datum waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt.<footnote-ref linkend="_66c46867-ce0a-419d-bb44-bf43eb8216a5" /> De rechtbank ziet geen aanleiding hierover in onderhavige procedure anders te oordelen.<footnote-ref linkend="_b1a5cb21-9155-49f4-8416-e70609ef0483" /></para>
        <para>
          <?linebreak?>
          <emphasis role="underline">Stopzetten van bevriezingsmaatregel met ingang van 4 september 2025</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. <?linebreak?>Na de uitspraak van 17 januari 2024 zijn alsnog prejudiciële vragen gesteld.<footnote-ref linkend="_a8c34583-5e99-436c-9e36-45120ba95c78" /> De gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren in afwachting van beantwoording van deze vragen.<footnote-ref linkend="_b4563232-4e1a-49fb-bce7-e29ae0bc9ecd" /> Deze maatregel is per 4 september 2025 stopgezet.<footnote-ref linkend="_e1450744-0174-447f-a566-4b369044fcff" /></para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="underline">Terugkeerbesluit</emphasis>
      </para>
      <para>4. <?linebreak?>Daarmee resteert nog de vraag of de minister (op 24 juli 2025) bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen.</para>
      <para>5. <?linebreak?>Anders dan eiseres bepleit ziet de rechtbank in de Terugkeerrichtlijn en het arrest van het hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn is in voornoemd arrest zo uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat jegens een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft uit hoofde van de mogelijkheid die deze lidstaat heeft aangewend om hem facultatieve tijdelijke bescherming te verlenen, als bedoeld in artikel 7 van Richtlijn 2001/55, een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd voordat deze bescherming is geëindigd.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Zoals hiervoor is overwogen is de facultatieve tijdelijke bescherming per<?linebreak?>4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 24 juli 2025 genomen.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Op 24 juli 2025 was enkel (nog) sprake van een bevriezingsmaatregel die ertoe diende om, ondanks de beëindiging van de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024, de prejudiciële procedure af te wachten. De rechtbank ziet hierin geen situatie waarin geen terugkeerbesluit kon worden genomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank was de minister op 24 juli 2025 dan ook bevoegd een terugkeerbesluit uit te vaardigen.<footnote-ref linkend="_c99bcfda-f060-45c6-a353-010cb6671222" /></para>
      <para>6. <?linebreak?>De in de gronden van beroep betrokken stellingen treffen geen doel. In het bestreden besluit heeft de minister het familie- en gezinsleven van eiseres alsmede haar privéleven zoals dat volgt uit artikel 8 van het EVRM betrokken. Het door eiseres gestelde kan niet leiden tot een ander oordeel. Gelet op het oordeel van het Hof van Justitie en de ABRvS over het beëindigen van de tijdelijke bescherming is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel, het verbod op willekeur, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Dat andere lidstaten de bescherming voor de facultatieve groep niet hebben beëindigd of dat het eiseres vanwege de bevriezingsmaatregel was toegestaan om tot </para>
      <para>4 september 2025 in Nederland te blijven maakt dat niet anders. <?linebreak?></para>
      <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para>8. <?linebreak?>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>I. Wolthuis, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
  </section>
  <footnote id="_5dbd801b-ce36-45e2-a827-e88a80974289" label="1">
    <para> Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3c998e96-6040-4eb5-ae10-57c6915613d9" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:32.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a939275-548f-4444-b400-8bf212eb9b5f" label="3">
    <para> ECLI:EU:C:2024:1038.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_66c46867-ce0a-419d-bb44-bf43eb8216a5" label="4">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:1829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1a5cb21-9155-49f4-8416-e70609ef0483" label="5">
    <para> Zie ook: de uitspraak van deze zittingsplaats van 30 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16291.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a8c34583-5e99-436c-9e36-45120ba95c78" label="6">
    <para> ABRvS 2 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1366.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b4563232-4e1a-49fb-bce7-e29ae0bc9ecd" label="7">
    <para> Brief van de minister van 25 april 2024, Kamerstukken II, 36 394, nr. 24.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1450744-0174-447f-a566-4b369044fcff" label="8">
    <para> Brief van de minister van 3 juni 2025, Kamerstukken II, 19 637, nr. 3434.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c99bcfda-f060-45c6-a353-010cb6671222" label="9">
    <para> Zie in dit kader ook het Terugkeerhandboek, (Aanbevelingen (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017), § 5.4, de beschikking van 5 juli 2018, ECLI:EU:C:2018:544, § 47-48, en de uitspraken van zittingsplaatsen Arnhem (ECLI:NL:RBDHA:2025:16546, r.o. 5.3.),</para>
    <para>’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:RBDHA:2025:16397, r.o. 34) en Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2025:17078, r.o. 10).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>