<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17724</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2026-04-30T09:39:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBLIM:2025:8032</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.36058</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Roermond</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2025:4452" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:4452, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17724">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17724</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-26T14:46:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17724 Rechtbank Den Haag , 15-08-2025 / NL25.36058</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17724:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring eerste beroep, artikel 59, eerste lid, onder a Vw. Informatieplicht niet geschonden. Voldoende gronden die de maatregel kunnen dragen. Dat er nu enig contact is tussen eiser en IOM betekent niet dat er geen onttrekkingsrisico meer bestaat. Geen aanleiding voor een lichter middel. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17724:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Roermond</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.36058</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Minister van Asiel en Migratie,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L.S. Hartog).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.W.L.M. Loonen, waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Mouhssen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt de Tsjadische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991.</para>
    <para />
    <para>2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. </para>
    <para />
    <para>3. De minister heeft als zware gronden vermeld dat eiser:<?linebreak?>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<?linebreak?>3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;<?linebreak?>3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; <?linebreak?></para>
    <para>en als lichte gronden vermeld dat eiser:<?linebreak?>4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;<?linebreak?>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De beroepsgronden van eiser </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat de noodzaak voor zijn inbewaringstelling ontbreekt. Eiser werkt mee aan zijn terugkeer en er is geen aanwijzing dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. De maatregel is gebaseerd op eerdere gedragingen. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte tegengeworpen dat eiser zich aan het toezicht heeft onttrokken en dat hij niet meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. Eiser werkt namelijk actief mee aan zijn terugkeer. Dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, is een gevolg van het beëindigen van de opvang en is onvoldoende reden voor bewaring. Verder voert eiser aan dat de minister had moeten onderzoeken of met een lichter middel had kunnen worden volstaan omdat eiser meewerkt aan zijn terugkeer. Tot slot voert eiser aan dat de informatieplicht is geschonden en hij hierdoor in zijn belangen is geschaad.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De informatieplicht </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat in de maatregel van bewaring staat dat een afschrift van de maatregel en de informatiebrief aan eiser zijn uitgereikt. Daarnaast volgt uit het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling dat de informatiefolder aan eiser is overhandigd en dat de inhoud van de folder met tussenkomst van de tolk aan hem is uitgelegd.  De informatiefolder (in de Franse taal) zit ook in het dossier. Dat een kopie van de folder later aan het dossier is toegevoegd, betekent niet dat deze ook toen pas aan eiser is overhandigd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat de informatieplicht is geschonden en dat eiser hierdoor in zijn belangen is geschaad. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De gronden van de maatregel van bewaring </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft de feitelijke juistheid van de zware grond 3a, 3c en lichte grond 4a niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gronden feitelijk juist zijn en samen met de toelichting daarbij de maatregel kunnen dragen. Uit deze gronden volgt het onttrekkingsrisico. Dat eiser zegt dat hij mee wil werken aan zijn vertrek, maakt dit niet anders. Eiser is eerder met onbekende bestemming vertrokken en heeft niet onderbouwd dat hij zich eerder heeft gemeld voor (vrijwillig) vertrek. De minister heeft zich ter zitting naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het feit dat er nu enig contact is tussen eiser en IOM niet betekent dat er geen onttrekkingsrisico meer bestaat. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het lichter middel </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De rechtbank ziet daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. De minister heeft dat voldoende toegelicht. Voorop staat het risico op onttrekking aan het toezicht, zoals dat uit de gronden volgt. Dat eiser zegt dat hij wil meewerken aan zijn vertrek, maakt dit niet anders. Eiser heeft voldoende gelegenheid gehad om zelf naar Tsjaad te vertrekken, wat hij niet heeft gedaan. Hij is met onbekende bestemming vertrokken. De minister hoefde, ondanks eisers stelling dat hij nu wil terugkeren naar Tsjaad en hieraan wil meewerken, gelet op het onttrekkingsrisico dan ook niet te kiezen voor een lichter middel dan bewaring, zoals een meldplicht. De minister heeft verder eisers medische en psychische situatie betrokken. Verder heeft eiser geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de bewaring voor hem onredelijk bezwarend is en de rechtbank is die ook niet gebleken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets en conclusie </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De rechtbank overweegt tot slot dat ook de ambtshalve rechtmatigheidsbeoordeling van de maatregel niet tot de conclusie leidt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. </para>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bestaat er voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.  </para>
    <bridgehead role="bold">Beslissing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.D. Kock, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr.M.M.M.F. Roijen, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 15 augustus 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>