<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17695</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T11:59:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.50818 NL24.50819 NL24.50821 NL24.50822</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17695">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17695</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-07T11:58:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17695 Rechtbank Den Haag , 27-03-2025 / NL24.50818 NL24.50819 NL24.50821 NL24.50822</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17695:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>-	Samenvatting: Dublin Kroatië. Echtgenote en minderjarige zoon hebben eerste aanvraag in Kroatië ingediend. Echtgenoot en in NL geboren dochter hebben later eerste aanvraag in NL ingediend. Op grond van artikel 11, aanhef en onder sub a, van de Dublinverordening is, wanneer meerdere lidstaten voor meerdere gezinsleden verantwoordelijk zouden zijn en de procedures gelijktijdig kunnen worden behandeld, de lidstaat die voor de meeste gezinsleden verantwoordelijk is, verantwoordelijk voor alle gezinsleden. In het geval van eisers heeft het eerste verzoek om internationale bescherming door eiseres plaatsgevonden op 7 augustus 2024 in Kroatië. Op het moment dat eiser zijn verzoek indient op 14 augustus 2024 in Nederland, treedt artikel 11, aanhef en onder sub a, van de Dublinverordening in werking nu op dat moment een conflictsituatie ontstaat tussen twee verzoeken door familieleden in verschillende lidstaten. Op dat moment is er sprake van twee verzoeken in Kroatië, namelijk van eiseres en de zoon van eisers, en één verzoek in Nederland, namelijk het verzoek van eiser. Echter deze situatie wijzigt op 26 september 2024 op het moment dat namens de dochter van eisers een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van 26 september 2024 bij de toepassing van artikel 11 van de Dublinverordening dient te worden betrokken omdat in de aanhef van het artikel wordt gesproken over verzoeken die gelijktijdig dan wel met korte tussenpozen zijn gedaan. De rechtbank merkt de verzoeken in de periode van 7 augustus 2024 tot en met 26 september 2024 aan als verzoeken met korte tussenpozen. Het voorgaande houdt in dat dan het gestelde onder b van artikel 11 van de Dublinverordening toepassing dient te vinden: de lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het oudste lid van de groep is verantwoordelijk voor de behandeling van alle verzoeken. Het oudste lid van de groep is eiser en daarom is Nederland de verantwoordelijke lidstaat voor alle verzoeken. De beroepsgrond slaagt. Beroep gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17695:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL24.50818, NL24.50819, NL24.50821, NL24.50822</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>v-nummers: [v-nummers]</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , geboren op [geboortedatum 1] 1998, eiser en verzoeker, hierna: eiser,<?linebreak?>[eiseres] , geboren op [geboortedatum 2] 2000, eiseres en verzoekster, hierna: eiseres,</title>
    <parablock>
      <para>mede namens hun minderjarige kinderen:<?linebreak?><emphasis role="bold">[kind 1]</emphasis>, geboren op [geboortedatum 3] 2022,<?linebreak?><emphasis role="bold">[kind 2] , </emphasis>geboren op [geboortedatum 4] 2024,<?linebreak?>allen met de Turkse nationaliteit, hierna samen te noemen: eisers</para>
      <para>(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister.</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvragen met de bestreden besluiten van 18 december 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvragen. Tevens hebben eisers verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft de zaken op 19 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en eiseres, de gemachtigde van eisers en F. Ileri als tolk in de Turkse taal. De gemachtigde van de minister is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eisers hebben aangevoerd, de beroepsgronden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De rechtbank verklaart de beroepen gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen niet in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Totstandkoming van de besluiten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Eiser</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Eiser heeft op 14 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. De minister stelt zich op het standpunt dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag van eiser. Eiser heeft geen aanvraag voor internationale bescherming in Kroatië ingediend maar zijn echtgenote, [eiseres] , en hun kinderen worden gezamenlijk verzocht om teruggenomen te worden door Kroatië op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_a07b871d-97d5-438d-af68-a64d0d665551" />. Nederland heeft daarom op 14 oktober 2024 de autoriteiten van Kroatië verzocht om eiser over te nemen op grond van artikel 11 van de Dublinverordening, aangezien Kroatië al verantwoordelijk is voor het grootste deel van eisers gezin en daarom ook voor eiser.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Eiseres</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Eiseres heeft op 14 augustus 2024 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres voor haar en haar zoon [kind 1] , op 7 augustus 2024 in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Nederland heeft daarom op 10 oktober 2024 de autoriteiten van Kroatië verzocht om hen terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, Dublinverordening. Op 26 september 2024 heeft eiser een asielaanvraag ingediend voor zijn op [geboortedatum 4] 2024 in Nederland geboren dochter [kind 2] . Op 24 oktober 2024 zijn de autoriteiten van Kroatië akkoord gegaan met terugname van eiseres en de twee kinderen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standaard voornemen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Eisers voeren in beroep aan dat het voornemen in de zaak van eiseres onvoldoende geïndividualiseerd is om te dienen als basis voor het bestreden besluit, omdat er in een zienswijze niet effectief kan worden gereageerd als een voornemen geen geïndividualiseerd maar enkel een algemeen en gestandaardiseerde tekst bevat. Door eisers is tijdens de Dublingehoren naar voren gebracht dat eiseres en haar zoon in Kroatië discriminerend werden bejegend. Eiseres zat twee dagen opgesloten in een politiecel en moest daar, terwijl zij zwanger was, op een harde grond slapen, eiseres werd gedwongen haar hoofddoek af te doen en als het kind dorst had werd er een beker uit de vuilnisbak gehaald. De minister is in het voornemen ten onrechte niet concreet ingegaan op de naar voren gebrachte omstandigheden maar heeft alleen standaard tekstblokken gebruikt. In het bestreden besluit is de minister pas op de gestelde omstandigheden ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De rechtbank volgt eisers niet in voorgaand standpunt en overweegt als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_22c0acb2-e4a9-4c72-83c2-c9a274117b17" /> van 23 november 2023<footnote-ref linkend="_deb08c64-7e8e-4f70-bdc5-1056a08d9729" /> volgt dat een standaardvoornemen aan de daartoe gestelde vereisten kan voldoen. Dat een voornemen gestandaardiseerde overwegingen bevat, betekent niet dat er sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming. In het voornemen is voldoende duidelijk uiteengezet dat, en op grond waarvan, Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvragen van eisers. Aangezien het bestreden besluit wel uitgebreider is gemotiveerd dan het voornemen en in het bestreden besluit wel is ingegaan op de door eisers in het aanmeldgehoor aangevoerde omstandigheden, bestaat er geen grond voor het oordeel dat er sprake is van onzorgvuldigheid.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Eisers stellen zich op het standpunt dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan door de wijze waarop zij eerder zijn behandeld door de Kroatische autoriteiten en dat daarmee de bewijslast omdraait en er ook een actieve onderzoeksplicht ontstaat voor de minister. Eisers zijn immers eerder slachtoffer geweest van schendingen van artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_9ddea391-d47c-4cf4-8910-19d9346a6ad2" /> en de minister dient zich dan ervan te overtuigen dat dit bij terugkeer niet opnieuw zal gebeuren. Eisers stellen dat er sprake is van tekortkomingen in de Kroatische klachtenprocedure. Eisers wijzen in dit kader op het rapport van The Centre for Peace Studies van januari 2024 </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>De rechtbank overweegt als volgt. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt in dat de minister erop mag vertrouwen dat lidstaten van de Europese Unie vreemdelingen in overeenstemming met het EVRM, het Vluchtelingenverdrag<footnote-ref linkend="_56d7dbff-733c-4cf1-abf0-fb473f7a1a02" /> en het recht van de Europese Unie zal behandelen. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 9 oktober 2024<footnote-ref linkend="_9ef5f558-2c71-45fc-b084-0bf92a2828fb" /> geoordeeld dat de minister ten aanzien van Kroatië nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan, ook ten aanzien van Dublinclaimanten. De Afdeling heeft bij haar uitspraak het door eisers genoemde rapport betrokken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eisers naar Kroatië zullen terugkeren als Dublinterugkeerders. In de uitspraak van de Afdeling is aan bod gekomen dat er geen gedocumenteerde gevallen zijn van pushbacks van Dublinterugkeerders, dat er geen obstakels zijn voor Dublinterugkeerders om toegang te krijgen tot de asielprocedure en dat zij ook feitelijke toegang krijgen tot opvang. De rechtbank concludeert daarom dat de minister ten aanzien van Kroatië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 17 van de Dublinverordening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Eisers voeren verder aan dat de minister de asielaanvragen aan zich moet trekken op grond van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening, omdat overdracht aan Kroatië van een onevenredige hardheid getuigt. In dit kader dienen alle feiten en omstandigheden meegewogen te worden, waaronder de wijze waarop eiseres en de zoon van eisers in Kroatië zijn behandeld. Tegen moeder en kind is geweld gebruikt en is er gedreigd met geweren waarna zij vervolgens twee dagen zijn opgesloten in een politiecel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat als een lidstaat niet verplicht is een asielaanvraag in behandeling te nemen, die lidstaat op grond van artikel 17 van de Dublinverordening een asielaanvraag alsnog onverplicht in behandeling kan nemen. In het beleid van de minister staat dat van deze bevoegdheid terughoudend gebruik wordt gemaakt, onder meer in de situatie dat bijzondere individuele omstandigheden maken dat overdracht van onevenredige hardheid zou getuigen. De rechtbank toetst deze discretionaire bevoegdheid van de minister terughoudend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister de persoonlijke omstandigheden die eisers hebben aangevoerd kenbaar heeft betrokken in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening. Verder geldt dat de autoriteiten van Kroatië met het claimakkoord hebben gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eisers in behandeling zullen nemen, in overeenstemming met de verdragsverplichtingen. Het voorgaande betekent ook dat de minister erop mag vertrouwen dat de autoriteiten van Kroatië het risico op refoulement in overeenstemming met de eisen van het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en het EU- Handvest zullen beoordelen. Bij voorkomende problemen met betrekking tot de asielprocedure in Kroatië, of anderszins, ligt het op de weg van eisers om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Niet is gebleken dat de autoriteiten van Kroatië eisers niet willen helpen of dat klagen onmogelijk of bij voorbaat zinloos is. Gelet op het voorgaande heeft de minister in redelijkheid kunnen oordelen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Kroatië van onevenredige hardheid getuigt. Dat de minister daarbij ook verwijst naar zijn standpunt over het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maakt niet dat het besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd is. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4</nr>
      <para>In het kader van artikel 17 van de Dublinverordening hebben eisers verder nog verschillende medische stukken overgelegd. Het betreft een overzicht van het medisch dossier van eiser en een overzicht van het medisch dossier van de zoon van eisers. Ten aanzien van de medische stukken van eiser heeft de gemachtigde van eisers ter zitting zelf verklaard dat deze in het kader van artikel 17 van de Dublinverordening niet zo relevant zijn. Ten aanzien van de medische stukken van de zoon van eisers stelt de rechtbank vast dat hierin staat dat het kind griep heeft gehad en slecht eet en slaapt. Uit de stukken blijkt niet dat dat het gevolg is van de ervaringen van het kind in Kroatië. Daarmee zijn de medische stukken een onvoldoende onderbouwing van het standpunt dat de ervaringen uit Kroatië hebben geleid tot medische problemen bij het kind. De medische stukken maken het oordeel van de rechtbank zoals omschreven in de vorige rechtsoverweging dan ook niet anders.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Artikel 11 van de Dublinverordening</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>Het beroep van eisers op artikel 11, aanhef en onder sub b, van de Dublinverordening slaagt. De rechtbank motiveert als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Dublinverordening zijn de vastgestelde criteria aan de hand waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald, van toepassing in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst.</para>
        <para>Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening wordt bepaald welke lidstaat de verantwoordelijke lidstaat is, op grond van de situatie op het tijdstip waarop de verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming voor de eerste maal bij een lidstaat indient. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 11, aanhef en onder sub a, van de Dublinverordening is, wanneer meerdere lidstaten voor meerdere gezinsleden verantwoordelijk zouden zijn en de procedures gelijktijdig kunnen worden behandeld, de lidstaat die voor de meeste gezinsleden verantwoordelijk is, verantwoordelijk voor alle gezinsleden.</para>
        <para>Op grond van artikel 11, aanhef en onder b, van de Dublinverordening is, indien op grond van het voorgaande geen enkele lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, de lidstaat die volgens de criteria van deze verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek van het oudste lid van de groep, verantwoordelijk voor de behandeling van alle verzoeken. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <para>In het geval van eisers heeft het eerste verzoek om internationale bescherming door eiseres plaatsgevonden op 7 augustus 2024 in Kroatië. Op het moment dat eiser zijn verzoek indient op 14 augustus 2024 in Nederland, treedt artikel 11, aanhef en onder sub a, van de Dublinverordening in werking nu op dat moment een conflictsituatie ontstaat tussen twee verzoeken door familieleden in verschillende lidstaten. Op dat moment is er sprake van twee verzoeken in Kroatië, namelijk van eiseres en de zoon van eisers, en één verzoek in Nederland, namelijk het verzoek van eiser. Echter deze situatie wijzigt op 26 september 2024 op het moment dat namens de dochter van eisers een verzoek om internationale bescherming wordt ingediend in Nederland. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van 26 september 2024 bij de toepassing van artikel 11 van de Dublinverordening dient te worden betrokken omdat in de aanhef van het artikel wordt gesproken over verzoeken die gelijktijdig dan wel met korte tussenpozen zijn gedaan. De rechtbank merkt de verzoeken in de periode van 7 augustus 2024 tot en met 26 september 2024 aan als verzoeken met korte tussenpozen. Het voorgaande houdt in dat dan het gestelde onder b van artikel 11 van de Dublinverordening toepassing dient te vinden: de lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het oudste lid van de groep is verantwoordelijk voor de behandeling van alle verzoeken. Het oudste lid van de groep is eiser en daarom is Nederland de verantwoordelijke lidstaat voor alle verzoeken. De beroepsgrond slaagt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <para>De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen. De bestreden besluiten zijn onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb<footnote-ref linkend="_edc7329b-855a-4a7c-8562-5c2f53eaaedf" /> dat de minister nieuwe besluiten moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Hiervoor geeft de rechtbank aan de minister een termijn van zes weken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2</nr>
      <para>Nu de rechtbank op de beroepen heeft beslist, bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3</nr>
      <para>Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van de proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen eisers een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 907,-. De gemachtigde heeft beroepschriften ingediend, verzoekschriften ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen en er is sprake van samenhangende zaken. De vergoeding bedraagt in totaal dus € 2.721,-.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank, in de zaken NL24.50818 en NL2450821:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart de beroepen gegrond;</para>
    <para>- vernietigt de bestreden besluiten van 18 december 2024;</para>
    <para>- draagt de minister op om binnen zes weken nieuwe besluiten op de aanvragen te nemen;</para>
    <para>- veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 2.721,-.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter, in de zaken NL24.50819 en NL24.50822:</para>
    </parablock>
    <para>- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. N.R. Peters, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_a07b871d-97d5-438d-af68-a64d0d665551" label="1">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_22c0acb2-e4a9-4c72-83c2-c9a274117b17" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_deb08c64-7e8e-4f70-bdc5-1056a08d9729" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:4348.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ddea391-d47c-4cf4-8910-19d9346a6ad2" label="4">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_56d7dbff-733c-4cf1-abf0-fb473f7a1a02" label="5">
    <para> Verdrag betreffende de status van vluchtelingen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9ef5f558-2c71-45fc-b084-0bf92a2828fb" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:4037.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_edc7329b-855a-4a7c-8562-5c2f53eaaedf" label="7">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>