<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17601</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-02T08:04:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 23/14640 en AWB 22/7773</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17601">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17601</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-02T08:04:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-10-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17601 Rechtbank Den Haag , 01-04-2025 / AWB 23/14640 en AWB 22/7773</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17601:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond. Afwijzing voorlopige voorziening. Verweerder heeft terecht geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie en daarmee geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aangenomen tussen eiseres en haar ouders. Geen belangenafweging meer nodig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17601:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: AWB 23/14640 (beroep) en AWB 22/7773 (voorlopige voorziening)</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 1 april 2025 in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres en verzoekster (hierna: eiseres)</title>
    <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder.</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ in de zin van artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_08ce0248-f244-4590-ae22-09bc9f7fe000" /> bij haar ouders afgewezen met het besluit van 16 november 2022 (het primaire besluit). Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 16 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hiernaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zij de beslissing op haar beroep in Nederland mag afwachten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank tevens voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het beroep op 20 maart 2025 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld. Partijen hebben zich afgemeld voor de zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ mocht afwijzen.</para>
    <para />
    <para>3. Eiseres verblijft sinds 1 maart 2022 in Nederland vanwege de mantelzorg voor haar beide ouders [referent 1] (referent) en [referent 2] , die op hoge leeftijd zijn. Zij woont met haar ouders samen. De vader leidt aan dementie en depressie en is slecht ter been en de moeder heeft hartklachten en is slecht ter been. Vader heeft de Nederlandse nationaliteit en woont al tientallen jaren in Nederland. De moeder verblijft sinds 2019 in Nederland met een verblijfsvergunning. Eiseres is niet in het bezit van een machtiging tot voorlopig verblijf. </para>
    <bridgehead role="underline">Vrijstelling griffierecht</bridgehead>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft om vrijstelling verzocht van het griffierecht wegens betalingsonmacht. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikt om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te betalen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eiseres wordt in deze procedure daarom (definitief) vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Eiseres bestrijdt dat niet is gebleken van bijzondere afhankelijkheid tussen haar en haar ouders. De bijzondere afhankelijkheid blijkt onder meer uit de hulpbehoevendheid van referent en de moeder en hun afhankelijkheid van eiseres in het dagelijks leven. Zij is de persoonlijke mantelzorger waarop haar ouders vertrouwen vanwege de familiebanden. Dat blijkt uit de overgelegde medische verklaringen van de huisarts en de verklaring van Home Care Amsterdam. Referent functioneerde voor de komst van eiseres naar Nederland deels zelfstandig omdat zijn echtgenote hem verzorgde. Echter, de echtgenote heeft inmiddels zelf ernstige hartklachten ontwikkeld vanwege de zorgtaken en de stress, zij kan de zorg niet meer aan en is zelf hulpbehoevend geworden. Daardoor is de zorg van eiseres noodzakelijk geworden. Eiseres heeft niet met een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) kunnen aantonen dat zij met haar ouders samenwoont omdat zij nog geen verblijfsvergunning heeft. Zij kon nog immer niet in de BRP worden ingeschreven. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Voor het aannemen van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen meerderjarige kinderen en hun ouders moet sprake zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Dit betekent dat sprake moet zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Verweerder mag in die beoordeling niet slechts betrekken of de vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van de referent, maar verweerder moet een op het specifieke geval toegespitste beoordeling maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, in die beoordeling een rol spelen. Verder kan bijvoorbeeld de mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond van belang zijn.<footnote-ref linkend="_b00a72f9-6364-4a4e-811c-599fc0d1f7a8" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het is aan eiseres om te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Deze beoordeling is van feitelijke aard. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de rechtbank daarom enigszins terughoudend.<footnote-ref linkend="_97730928-7ff8-41ce-9933-d93c64a10d1c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres heeft aangevoerd dat zij naar Nederland is gekomen vanwege de zorg voor haar ouders. Haar ouders hebben namelijk beide medische problemen. Gelet hierop zijn haar ouders hulpbehoevend en voor hun dagelijks functioneren afhankelijk van eiseres. Zo begeleidt eiseres haar ouders bij (medische) afspraken, is zij aanwezig bij de</para>
        <para>momenten met de thuiszorg, vertaalt zij naar het Berbers als derden aanwezig zijn, doet zij de boodschappen, kookt zij, maakt zij schoon, is zij verantwoordelijk voor de persoonlijke verzorging van haar ouders, wast ze hen en wandelt zij met ze. Tot slot doet zij het huishouden en de financiën. Eiseres heeft hiertoe een aantal bewijsstukken overgelegd, te weten een verklaring van Home Care Amsterdam van 1 juni 2022, de toekenningsbeschikking van het PGB van haar vader van 3 februari 2022, een</para>
        <para>brief van de huisarts [arts] inzake de episodes en medicatie van haar vader van<?linebreak?>20 januari 2022, een brief van de huisarts [arts] inzake de episodes en medicatie van haar moeder van 1 juni 2022 en het medicatieoverzicht van haar moeder van 11 februari 2021.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat uit de overgelegde stukken weliswaar blijkt dat de ouders van eiseres medische problemen hebben en dat zij hier verzorging voor nodig hebben, maar niet blijkt dat haar ouders exclusief afhankelijk zijn van de zorg van eiseres. Daarnaast heeft eiseres niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aangetoond dat zij mantelzorg verleent aan haar ouders en dat zij de gestelde zorgtaken uitoefent. De overlegde foto's bewijzen deze bijzondere afhankelijkheid ook niet. Deze foto's zijn enkel een momentopname waarop eiseres haar vader lijkt te helpen. Ook heeft eiseres niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken aangetoond dat zij momenteel met haar ouders samenwoont en dat er sprake is van financiële afhankelijkheid tussen haar en haar ouders. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie aangenomen en daarmee geen familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar ouders. Deze beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Eiseres stelt verder dat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM in haar voordeel dient uit te vallen vanwege de bijzondere omstandigheden. Deze omstandigheden bestaan uit de hechte persoonlijke banden tussen eiseres en haar ouders en de afhankelijkheid vanwege de medische klachten van de ouders en het feit dat eiseres de mantelzorgtaken verricht.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>Op 27 maart 2024 heeft de Afdeling geoordeeld dat verweerder bij een beroep op artikel 8 van het EVRM mag volstaan met de vaststelling dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen een vreemdeling en een referent bestaan, als verweerder daarbij alle relevante individuele aspecten heeft betrokken.<footnote-ref linkend="_0a3bea43-059e-46aa-863a-142e3cbb0734" /> Anders dan uit eerdere rechtspraak volgt, hoeft verweerder vervolgens niet de belangen van de Nederlandse Staat af te wegen tegen de belangen van de betrokken vreemdeling. Zoals de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld, heeft verweerder zich in deze zaak op goede gronden op het standpunt gesteld dat tussen eiseres en referent geen familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM bestaat. In die beoordeling heeft verweerder alle individuele feiten en omstandigheden van eiseres en referent betrokken, zodat – achteraf gezien – in zoverre geen belangenafweging meer nodig was.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak met nummer 23/14640:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak met nummer 22/7773:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, rechter, in aanwezigheid van<?linebreak?>mr.J.C.M. Schilder, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het betreft de beslissing op het beroep, hoger beroep worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening te treffen. Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_08ce0248-f244-4590-ae22-09bc9f7fe000" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b00a72f9-6364-4a4e-811c-599fc0d1f7a8" label="2">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van<?linebreak?>27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_97730928-7ff8-41ce-9933-d93c64a10d1c" label="3">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0a3bea43-059e-46aa-863a-142e3cbb0734" label="4">
    <para> Uitspraken van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1187. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>