<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-24T16:43:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.49938</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17549">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17549</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-24T16:42:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17549 Rechtbank Den Haag , 22-09-2025 / NL24.49938</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17549:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Besluit op bezwaar – Regulier – ongegrond – bijkomende elementen van afhankelijkheid – verbroken gezinsbanden – jongvolwassenenbeleid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17549:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.49938 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. Sánchez Rhemrev).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para>
      <?linebreak?>Bij besluit van 5 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering om aan zijn dochter een mvv<footnote-ref linkend="_7cb68048-b5f8-47d6-a67e-cf74a5c9502b" /> te verlenen ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2025 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Eiser is geboren op [datum] 1973 en heeft de Syrische nationaliteit. Hij heeft op 30 mei 2022 een aanvraag gedaan tot afgifte van een mvv voor zijn gezin, met als verblijfsdoel ‘familie en gezin’ (de aanvraag). <?linebreak?><emphasis role="italic">Het bestreden besluit </emphasis><?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Bij besluit van 11 oktober 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor eisers meerderjarige dochter [de dochter] (hierna: [de dochter] ) afgewezen, omdat de feitelijk gezinsband tussen eiser en [de dochter] is verbroken. [de dochter] heeft namelijk haar eigen gezin gesticht en is voornemens om zelfstandig te wonen. Ook is zij voor haar levensonderhoud niet van eiser afhankelijk. Daardoor is geconcludeerd dat [de dochter] niet voldoet aan het jongvolwassenbeleid. Bovendien is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [de dochter] heeft verklaard (financieel) onafhankelijk te zijn en niet gebleken is dat zij zonder emotionele steun van eiser niet zelfstandig zou kunnen functioneren.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard. De verklaringen van eiser en [de dochter] komen niet met elkaar overeen. Zo heeft [de dochter] niet verklaard dat [persoon] misbruik van haar en haar situatie heeft gemaakt. Eiser heeft geen verklaring gegeven voor het verschil in verklaringen. [de dochter] is (traditioneel) gehuwd en heeft een kind. Dit geldt als contra-indicatie in het beleid voor jongvolwassenen. Het laat zien dat [de dochter] een zelfstandig leven leidt en dat haar gezinsband met haar ouders, waaronder eiser, is verbroken. Ook wordt geen financiële afhankelijkheid aangenomen. [de dochter] heeft verklaard dat zij niet financieel afhankelijk is van haar vader en dat zij de intentie heeft om te werken. De bijdrage die de ouders leveren van € 50 tot € 100 per maand is onvoldoende om daarmee te voorzien in het levensonderhoud van [de dochter] . Voorts is niet gebleken van andere bijkomende elementen van afhankelijkheid. De gestelde emotionele afhankelijkheid is niet onderbouwd, noch dat de banden van [de dochter] met Nederland sterker zouden zijn dan met Libanon. Tot slot volgt uit [de dochter] verklaringen niet dat zij kan worden aangemerkt als een kwetsbare jonge vrouw.<?linebreak?><emphasis role="italic">Beroepsgronden </emphasis><?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Eiser voert in beroep aan dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij een andere lezing geeft aan het bestaan van een relatie tussen [de dochter] en [persoon] . [de dochter] geloofde in de relatie met [persoon] , was toen nog jeugdig en bevond zich in een kwetsbare positie. Zij is door [persoon] misleid. [persoon] zag [de dochter] als uitweg naar Europa. Er is geen rechtsgeldig huwelijk. Het betreft een vals contract, enkel opgemaakt zodat [de dochter] Turkije kon verlaten. [de dochter] woont intussen onder erbarmelijke omstandigheden in Libanon, in een dorp zonder elektriciteit en water en in angst voor bombardementen. Verweerder miskent dat [de dochter] volledig financieel afhankelijk is van het geld dat eiser haar stuurt en dat tussen [de dochter] en haar ouders sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Er is intensief contact tussen [de dochter] en haar ouders, [de dochter] heeft geen verblijfsrecht in Libanon. Verder is zij een alleenstaande vrouw die de zorg voor haar kind draagt en is het onveilig voor meisjes om daar te werken als ze geen hulp van anderen kunnen krijgen. Verweerder miskent ook dat [de dochter] banden met Nederland sterker zijn dan met Libanon. Verder heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 4:84 Awb<footnote-ref linkend="_de30eb2e-8124-408d-a855-51e3699030dc" /> en nagelaten [de dochter] bijzondere omstandigheden in de beoordeling te betrekken. </para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het jongvolwassenenbeleid kent 4 cumulatieve vereisten<footnote-ref linkend="_c9f0563e-32c8-4458-b50e-1fe257ee076d" />: het meerderjarig kind moet jongvolwassen zijn, met zijn ouder(s) in gezinsverband samenleven, niet in zijn eigen onderhoud voorzien en geen zelfstandig gezin hebben gevormd. Als hier geen geslaagd beroep op kan worden gedaan, dient te worden gekeken of sprake is van familie of gezinsleven.</para>
    <para />
    <para>6. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 EVRM<footnote-ref linkend="_68a2f4fa-f1d8-439d-b9c9-f932e683ffd2" /> beschermd gezinsleven tussen ouders en meerderjarige kinderen wanneer sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Hierbij moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Of sprake is van een beschermd gezinsleven van feitelijke aard is afhankelijk van het daadwerkelijke bestaan van hechte, persoonlijke banden. Hierbij is bijvoorbeeld van belang of de familieleden hebben samengewoond, de mate van emotionele of financiële afhankelijkheid, medische omstandigheden en de banden met het land van herkomst. Al deze voorbeelden moeten in samenhang worden bezien.  In het arrest Savran<footnote-ref linkend="_4344c03b-cea3-4b45-9609-57f3c2e2443c" /> concludeert het Hof<footnote-ref linkend="_dac3a8ac-0288-4e23-997f-bd3b898a7fef" /> dat geen sprake is van familie- of gezinsleven zonder bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen een meerderjarig kind en zijn familieleden, omdat hij niet bij zijn familie woonde.</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">Jongvolwassenenbeleid </emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft zich niet ten onrechte en voldoende deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat [de dochter] , als jongvolwassene, niet in aanmerking komt voor het jongvolwassenenbeleid omdat niet aan alle cumulatieve criteria wordt voldaan. Hiertoe heeft verweerder kunnen overwegen dat [de dochter] is gehuwd en uit de relatie met [persoon] een kind is geboren. Dit wordt door [de dochter] en eiser ook niet betwist. [de dochter] heeft haar eigen gezin gesticht en verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de feitelijke gezinsband daardoor is verbroken. De vraag of er sprake is geweest van een rechtsgeldig huwelijk tussen [persoon] en [de dochter] doet geen afbreuk aan de verbreking van de feitelijke gezinsband. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat eiser geen verklaring heeft gegeven voor het verschil tussen de verklaringen over [persoon] van hem en die van [de dochter] . De stelling dat [de dochter] zou zijn misleid door [persoon] en dat zij ten tijde van haar gehoor onder invloed van hem was, is niet onderbouwd. De stelling dat eiser en [de dochter] niet gebaat zijn bij een onjuiste voorstelling van zaken ten aanzien van [de dochter] relatie met [persoon] treft geen doel en leidt daarom niet tot een ander oordeel.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 4:84 Awb</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die afwijking van het beleid van verweerder rechtvaardigen.  Hierbij is van belang dat het beroep op dit artikel niet nader is onderbouwd en, zoals hierna zal worden overwogen, niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.<?linebreak?></para>
    <bridgehead role="italic">Bijkomende elementen van afhankelijkheid</bridgehead>
    <para />
    <para>9. Verweerder heeft verder kunnen overwegen dat ten aanzien van eiser en [de dochter] geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden van eiser een herhaling betreffen van de gronden die eiser in bezwaar heeft ingediend. Hier is door verweerder voldoende deugdelijk op gereageerd in het bestreden besluit. Zo heeft verweerder kunnen overwegen dat het aan eiser en [de dochter] is om te onderbouwen dat het levensonderhoud van [de dochter] ten laste komt van eiser. Zij hebben echter niets aangedragen waaruit de financiële afhankelijkheid van [de dochter] blijkt. De stellingen dat [de dochter] niet langer geld van [persoon] ontvangt en niet in staat is om werkzaamheden te verrichten in Libanon zijn evenmin nader onderbouwd. <?linebreak?></para>
    <para>10. Verweerder stelt in het bestreden besluit, en opnieuw in het verweerschrift, terecht dat [de dochter] emotionele afhankelijkheid van haar ouders niet nader is onderbouwd. Dat [de dochter] intensief contact met eiser heeft, zij elkaar nodig hebben en dat de afstand het bemoeilijkt om er voor elkaar te zijn, is onvoldoende gemotiveerd en leidt niet tot een ander oordeel. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Belangenafweging</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Nu verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen [de dochter] en haar ouders is verbroken en dat er dus geen sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM<footnote-ref linkend="_a29ff29b-b56e-42ac-b275-5b627bf0b89b" />, heeft verweerder in dit kader  geen belangenafweging meer hoeven maken.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder het bezwaar terecht ongegrond verklaard. Het beroep is ongegrond. <?linebreak?></para>
      <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 22 september 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_7cb68048-b5f8-47d6-a67e-cf74a5c9502b" label="1">
    <para> Machtiging tot voorlopig verblijf. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_de30eb2e-8124-408d-a855-51e3699030dc" label="2">
    <para> Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c9f0563e-32c8-4458-b50e-1fe257ee076d" label="3">
    <para> Dit volgt uit paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_68a2f4fa-f1d8-439d-b9c9-f932e683ffd2" label="4">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4344c03b-cea3-4b45-9609-57f3c2e2443c" label="5">
    <para> Met het kenmerk: ECLI:CE:ECHR:2021:1207JUD005746715, par. 177 en 178.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_dac3a8ac-0288-4e23-997f-bd3b898a7fef" label="6">
    <para> Het Hof van Justitie van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a29ff29b-b56e-42ac-b275-5b627bf0b89b" label="7">
    <para> Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State met het kenmerk ECLI:NL:RVS:2024:2145. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>