<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17483</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-23T15:49:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.43584</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17483">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17483</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-23T15:48:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17483 Rechtbank Den Haag , 23-09-2025 / NL25.43584</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17483:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Lichter middel. Voortvarend handelen. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17483:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.43584</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.<footnote-ref linkend="_ce5ec83c-b7c8-447c-a754-8df91d6445b7" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is, bijgestaan door zijn gemachtigde, gehoord via een videoverbinding. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft gezien eisers lopende asielaanvraag van 5 september 2025 de maatregel van bewaring terecht gebaseerd op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw. </para>
    <para />
    <para>2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag, waarbij volgens verweerder sprake is van een risico op onttrekking. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_1ebf3629-55fe-4562-a8d7-b93e28a12b71" /> zijn daartoe in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_5f27775c-1683-4768-9160-167edc3c6208" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>3. Eiser betwist alle zware gronden en de lichte gronden 4a, 4c en 4d. Hiertoe voert hij aan dat hij dat hij met de in beroep overgelegde documenten een begin van bewijs heeft geleverd om zijn identiteit aan te tonen. Verder is hij op gereguleerde wijze in het kader van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_e9931c58-24fc-4b47-a811-ac5e73d03e44" /> door Zweden overgedragen aan Nederland. Daarnaast is eiser nimmer gevraagd naar de redenen van zijn vertrek en was hij ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit niet in Nederland. Ook is het voor eiser onmogelijk om met de autoriteiten van zijn land van herkomst in contact te komen. Tot slot is eiser direct na de overdracht in bewaring gesteld, zodat hij niet in de gelegenheid was om het nodige, zoals een verblijfplaats, te regelen. </para>
    <para />
    <para>4. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling<footnote-ref linkend="_89214e54-341e-4fa2-ac25-7d44693af6aa" /> volgt dat voor het opleggen van de in de maatregel genoemde zware gronden alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting hoeft te geven.<footnote-ref linkend="_f7adacaf-2497-4540-a698-5b84d4483b87" /> De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware gronden 3a en 3b aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt niet over een paspoort of visum en hij is volgens zijn verklaringen eerder op een niet voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen.<footnote-ref linkend="_c858e354-bf96-4ce6-8c0c-006086a7efd7" /> Verder is niet in geschil dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken. De zware gronden zijn dan ook feitelijk juist en kunnen de maatregel van bewaring zelfstandig dragen. De overige zware en lichte gronden behoeven daarom geen verdere bespreking.</para>
    <para />
    <para>5. Verder voert eiser aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser doet een beroep op het arrest Ararat<footnote-ref linkend="_925b8452-8497-45e3-b2a1-121acd000d4e" /> en de recente uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025.<footnote-ref linkend="_2b000502-c8d7-488c-b0d7-36bfff7d6c68" /> Hij heeft een asielaanvraag ingediend. Daarmee geeft hij aan dat hij bij terugkeer een risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_f7c4e199-3516-4eec-8e88-048055afaf10" /> Daarnaast is hij gehuwd en heeft hij een minderjarige zoon, zodat sprake is van gezinsleven en dient het belang van het kind mee te worden gewogen bij de belangenafweging.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast om het onttrekkingsrisico te ondervangen. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest Ararat en de uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025 treft dat geen doel, omdat de Terugkeerrichtlijn in eisers geval niet van toepassing is. Eiser is namelijk in bewaring gesteld vanwege een lopende asielaanvraag. Verder heeft eiser geen gezinsleven in Nederland nu zijn gestelde echtgenote en minderjarige zoon in Frankrijk verblijven. Daarnaast heeft het gestelde gezinsleven geen invloed op de vraag of verweerder had kunnen volstaan met een lichter middel. </para>
    <para />
    <para>7. Tot slot heeft eiser opgemerkt dat gegevens over de voortgang van de asielprocedure ontbreken. </para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder tot nu toe onvoldoende voortvarend handelt. Op verzoek van eiser heeft op 16 september 2025 een gesprek plaatsgevonden. Verder heeft verweerder ter zitting kenbaar gemaakt dat op 23 september 2025 een asielgehoor zal plaatsvinden en dat volgens huidige planning op 25 september 2025 een voornemen zal worden uitgebracht.</para>
    <para />
    <para>9. Ook verder bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.</para>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 23 september 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_ce5ec83c-b7c8-447c-a754-8df91d6445b7" label="1">
    <para> Op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1ebf3629-55fe-4562-a8d7-b93e28a12b71" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f27775c-1683-4768-9160-167edc3c6208" label="3">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e9931c58-24fc-4b47-a811-ac5e73d03e44" label="4">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89214e54-341e-4fa2-ac25-7d44693af6aa" label="5">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7adacaf-2497-4540-a698-5b84d4483b87" label="6">
    <para> ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c858e354-bf96-4ce6-8c0c-006086a7efd7" label="7">
    <para> Proces-verbaal van gehoor van 5 september 2025, p. 5 van 10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_925b8452-8497-45e3-b2a1-121acd000d4e" label="8">
    <para> HvJEU 17 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:892.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2b000502-c8d7-488c-b0d7-36bfff7d6c68" label="9">
    <para> ABRvS 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f7c4e199-3516-4eec-8e88-048055afaf10" label="10">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>