<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17341</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-02T07:50:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL 25.34880</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17341">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17341</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-10-02T07:50:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17341 Rechtbank Den Haag , 04-09-2025 / NL 25.34880</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17341:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vovo afgewezen. Vovo hangende beroep terugkeerbesluit. RTB derdelanders Oekraïne. Facultatieve tijdelijke bescherming. Artikel 6 Terugkeerbesluit. Niet prematuur terugkeerbesluit. Hoorplicht. Evenredigheidsbeginsel</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17341:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummer: NL25.34880</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      [V-Nummer]
    </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1998, met de Indiase nationaliteit,</title>
    <parablock>
      <para>verzoeker</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Minister van Asiel en Migratie, de minister</title>
    <para>(gemachtigde: mr. F. Schoot).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een</para>
    <parablock>
      <para>voorlopige voorziening van verzoeker. Het verzoek is verbonden met een beroep</para>
      <para>(NL25.34879) dat is gericht tegen het terugkeerbesluit van 25 juli 2025. Verzoeker heeft</para>
      <para>gevraagd een voorziening te treffen tot op het beroep is beslist. De minister heeft een</para>
      <para>verweerschrift uitgebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. In het terugkeerbesluit staat dat verzoeker vanaf 4 september 2025 vier weken de</para>
    <parablock>
      <para>tijd heeft om te vertrekken uit de opvang en uit Nederland. Vanaf 4 september 2025 mag hij</para>
      <para>niet meer werken. Met het indienen van het verzoek, en de toewijzing daarvan, wil</para>
      <para>verzoeker bereiken dat hij, tot op het beroep is beslist, in Nederland mag blijven in de</para>
      <para>opvang en dat hij ook mag blijven werken.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van onverwijlde spoed en overweegt dat partijen voldoende in de gelegenheid zijn gesteld om hun standpunten naar voren te brengen. Daarom sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), wat betekent dat de voorzieningenrechter uitspraak doet zonder zitting.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <para>3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de</para>
    <para>rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.</para>
    <para />
    <para>4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en legt hierna uit waarom het</para>
    <para>verzoek wordt afgewezen.</para>
    <para>5. Verzoeker heeft de Indiase nationaliteit en aan hem was tijdelijke</para>
    <parablock>
      <para>bescherming verleend op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) voor</para>
      <para>ontheemden uit Oekraïne. Verzoeker had niet de Oekraïense nationaliteit maar de</para>
      <para>rechtsvoorganger van de minister, de staatssecretaris, heeft ervoor gekozen om facultatieve</para>
      <para>tijdelijke bescherming te bieden aan personen die - kort gezegd – een tijdelijk verblijfrecht hadden in Oekraïne. Verzoeker behoort tot die categorie personen (de zogenaamde</para>
      <para>derdelanders).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De minister heeft in het terugkeerbesluit verzoeker opgedragen om binnen vier</para>
    <parablock>
      <para>weken de Europese Unie te verlaten omdat de facultatieve tijdelijke bescherming die hij op</para>
      <para>grond van de RTB genoot, na 4 maart 2024 is geëindigd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft</para>
    <parablock>
      <para>geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te</para>
      <para>beëindigen per 4 maart 2024.<footnote-ref linkend="_1ad01d7b-b807-4764-8498-70245401e4c9" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. In het arrest Kaduna en Akbez is geoordeeld dat het verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat van alle personen die de facultatieve tijdelijke bescherming genieten, niet automatisch illegaal wordt vanaf de datum waarop deze bescherming wordt beëindigd. Zo kunnen sommige van deze personen met name een verzoek om internationale bescherming hebben ingediend en uit dien hoofde in beginsel het recht hebben om op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven.<footnote-ref linkend="_6b273055-3aaf-4986-81f2-e3f2cbc69296" /> Die laatste situatie doet zich in het geval van verzoeker niet voor. Van verblijfsrechtelijke procedures die aan het nemen van een terugkeerbesluit in de weg staan is namelijk niet gebleken. Daarmee is in het geval van verzoeker geen sprake van een situatie waarop het arrest Kaduna van toepassing is.</para>
    <para />
    <para>9. Verzoeker heeft aangevoerd dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen omdat</para>
    <parablock>
      <para>de bescherming eindigt op 4 september 2025. Verzoeker heeft verder aangevoerd dat ook</para>
      <para>gelet op artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn het terugkeerbesluit prematuur is genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Anders dan verzoeker stelt eindigt de facultatieve tijdelijke bescherming op grond</para>
        <para>van de RTB niet per 4 september 2025. Uit de hiervoor aangehaalde uitspraak van de</para>
        <para>Afdeling van 23 april 2025 volgt immers dat die bescherming eindigde per 4 maart 2024.</para>
        <para>Dat de rechten die aan de facultatieve tijdelijke bescherming waren verbonden tot en met 4 september 2025 kunnen worden uitgeoefend, maakt niet dat de bescherming per 4 september 2025 eindigt.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De verwijzing van verzoeker naar artikel 6 van de Terugkeerrichtlijn kan hem niet</para>
        <para>baten. Van de omstandigheden genoemd in het tweede tot het vijfde lid van dit artikel op</para>
        <para>grond waarvan moet worden afgezien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit, is in</para>
        <para>het geval van verzoeker geen sprake.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>10. Verzoeker heeft ook aangevoerd dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet is betrokken in het kader van het opgelegde terugkeerbesluit. Daarom moet volgens verzoeker een belangenafweging plaatsvinden van de relevante feiten en omstandigheden, waaronder het feit dat verzoeker sinds dat hij in Nederland is sterke sociale banden heeft opgebouwd en daarmee privéleven heeft opgebouwd.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>10.1.</nr>
      <para>Dat betoog slaagt niet. De aangevoerde omstandigheden houden voornamelijk verband met het beëindigen van de tijdelijke bescherming en daarvan hebben het Hof en de Afdeling geoordeeld dat de minister deze heeft mogen beëindigen. Bovendien heeft verzoeker de maximale vertrektermijn ontvangen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>11. Verzoeker voert vervolgens aan dat de hoorplicht is geschonden, die volgens hem gezien de jurisprudentie van het Hof in dit geval noodzakelijk is omdat verzoeker niet eerder is gehoord en zich niet over het terugkeerbesluit heeft kunnen uitlaten.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>11.1.</nr>
      <para>Dit betoog slaagt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook niet. Uit de jurisprudentie van het Hof, waaronder de arresten Mukarubega<footnote-ref linkend="_272d0ec2-97d7-4c95-bb09-cae04b253399" /> en Boudjlida<footnote-ref linkend="_e2468823-61fa-4e12-9eb2-2dc0654ac974" /> volgt dat het recht om te worden gehoord, het recht omvat om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Verzoeker heeft deze gelegenheid gehad doordat hij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen tot het opleggen van een terugkeerbesluit. Vooralsnog valt niet in te zien waarom verzoeker in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie over de vaststelling dat zijn verblijf illegaal is geworden en over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft kunnen brengen of waarom verzoeker (daarnaast) ook in persoon gehoord had moeten worden. </para>
      <para />
      <para>12. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is gebleken van een evident onrechtmatig terugkeerbesluit.</para>
      <para />
      <para>13. Er bestaat daarom geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige</para>
      <para>voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.</para>
      <para />
      <para>14. Er is geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>mr. A.S. Hayas, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</title>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_1ad01d7b-b807-4764-8498-70245401e4c9" label="1">
    <para> Uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6b273055-3aaf-4986-81f2-e3f2cbc69296" label="2">
    <para> Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof), 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (overweging 154).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_272d0ec2-97d7-4c95-bb09-cae04b253399" label="3">
    <para> Arrest van 5 november 2014, ECLI:EU:C:2014:2336.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2468823-61fa-4e12-9eb2-2dc0654ac974" label="4">
    <para> Arrest van 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2431.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>