<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-26T09:25:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.28654 en NL25.28655</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17296">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17296</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-26T09:25:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17296 Rechtbank Den Haag , 19-08-2025 / NL25.28654 en NL25.28655</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17296:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel, Palestijn afkomstig uit Gaza, aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, problemen Hamas raken niet aan gronden van Vluchtelingenverdrag en uitsluitingsgrond van artikel 1(D) niet van toepassing omdat eiser geen bescherming of bijstand heeft genoten van de UNRWA kort voor of direct voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland. 3 EVRM risico wel aangenomen maar aanvraag toch afgewezen omdat eiser een ernstig misdrijf heeft gepleegd, geen terugkeerbesluit opgelegd naar Gaza. Beroep gegrond – verweerder onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of eiser daadwerkelijk bescherming van de UNRWA heeft genoten, onderzoeksplicht geschonden, zorgvuldigheidsgebrek. Ook moet verweerder, met inachtneming van het criterium - kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat bijstand van UNRWA genieten -, in nieuwe besluit nader te onderbouwen welke asielaanvraag bepalend is voor het toetsingsmoment, eisers asielaanvraag in Griekenland (2021) of in Nederland (2023). Het antwoord op de vraag of eiser va</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17296:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL25.28654 (beroep) en NL25.28655 (voorlopige voorziening)</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</para>
    <para>(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 28 november 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 juni 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 5 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en mr. F. van den Berg, als waarneemster van eisers gemachtigde, deelgenomen. Ook de gemachtigde van verweerder was aanwezig. Als tolk is verschenen A. Baban.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het asielrelaas</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1996 en stelt de Palestijnse nationaliteit te hebben. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ondervonden met Hamas. Eiser had een tuktuk en was binnen zijn familie de enige die geld verdiende. De helft van de opbrengsten moest eiser afstaan aan Hamas onder de noemer belasting. Ook heeft Hamas eiser drie keer opgepakt en mishandeld. Eiser heeft hier littekens aan over gehouden. Bij terugkeer vreest eiser voor de oorlog en voor Hamas.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Het bestreden besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:</para>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>identiteit, nationaliteit en herkomst; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>problemen met Hamas.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Verweerder vindt beide asielmotieven geloofwaardig. Verweerder vindt echter niet dat eiser vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Volgens verweerder is de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van dat verdrag niet op eiser van toepassing omdat hij geen bescherming of bijstand heeft genoten van de ‘United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East’ (hierna: UNRWA) kort voor of direct voorafgaand aan zijn asielaanvraag in Nederland. Ook vindt verweerder dat de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden niet te herleiden zijn tot een van de gronden uit het Vluchtelingenverdrag.<footnote-ref linkend="_9badd3db-f75f-4ba5-82f8-2272d47ba0cd" /> Wel loopt eiser volgens verweerder een reëel risico op ernstige schade<footnote-ref linkend="_31bf2e1b-5823-424a-b1fb-b6b95c7d4955" /> bij terugkeer naar Gaza. Toch heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiser op ernstige gronden een gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid vormt.<footnote-ref linkend="_63c77d7e-6ed0-443e-be34-5402e6c8314b" /> Eiser is namelijk in Nederland in 2025 strafrechtelijk veroordeeld voor poging tot zware mishandeling en heeft daarbij een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, opgelegd gekregen.<footnote-ref linkend="_862cf5b3-dbe7-4fdb-b20f-62fca595ba0b" /> Verweerder heeft aan eiser geen terugkeerbesluit opgelegd, maar wel een besluit tot signalering voor de duur van tien jaar.<footnote-ref linkend="_63b6a960-fcf6-4679-984a-52762c721e9b" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Hij verzoekt allereerst om hetgeen hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Verder heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat de uitsluitingsgrond van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag niet op eiser van toepassing is. Eiser is Palestijn afkomstig uit Gaza en kan de bescherming van de UNRWA niet inroepen. Hij is daarom van rechtswege vluchteling op grond van de tweede volzin van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder had de aanvraag dan alleen als kennelijk ongegrond mogen afwijzen als sprake zou zijn geweest van een bijzonder ernstig misdrijf.<footnote-ref linkend="_d512e674-bf6a-4c25-80d5-8fcf55cf9f5f" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de door eiser overgelegde documenten, waaruit blijkt dat hij persoonlijk problemen heeft met en vervolgd werd door Hamas, niet heeft meegenomen. Verweerder had nader door moeten vragen naar aanleiding van deze documenten, zeker nu de redenen voor vervolging volgens eiser te herleiden zijn tot het Vluchtelingenverdrag. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>Ook betwist eiser dat hij een gevaar is voor de gemeenschap; hij wordt ten onrechte vanwege zijn psychische problemen als onberekenbaar gezien. Verweerder verwijst ten onrechte naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag<footnote-ref linkend="_b81ff099-53f2-497a-b7a0-f23df6e21a2b" /> want de feiten waren in die zaak behoorlijk anders, aangezien daar sprake was van meerdere veroordelingen voor bijzonder ernstige misdrijven en er meerdere bijzondere voorwaarden waren opgelegd. Dat eiser sinds zijn vrijlating niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen, is het enige en voldoende bewijs dat hij kan leveren van zijn gedragswijziging. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>Voor het geval de rechtbank eiser niet volgt in het voorgaande -althans zo leest de rechtbank de brief van eiser van 25 juli 2025- voert eiser het volgende aan. Het opleggen van een signalering is niet nuttig nu deze maatregel niet in werking zal treden omdat eiser niet wordt uitgezet. Afgezien daarvan had de signalering niet opgelegd mogen worden omdat eiser geen inreisverbod opgelegd heeft gekregen<footnote-ref linkend="_45a86ec7-60ae-4227-8546-074f61748e01" />. Ook vindt eiser de afwijzing van zijn aanvraag en de oplegging van een signalering voor de duur van tien jaar niet evenredig. Tot slot voert eiser aan dat hem op grond van artikel 6, vierde lid van de Terugkeerrichtlijn<footnote-ref linkend="_4ed8b075-a27a-4eaf-93ec-0353144de0e2" /> een verblijfsvergunning had moeten worden verleend of dat hem een buitenschuldvergunning had moeten worden verleend nu eiser niet terug kan keren naar Gaza. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De rechtbank beoordeelt of verweerder eisers aanvraag kon afwijzen als</para>
      <para>kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.</para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank overweegt allereerst dat door het in algemene zin herhalen en</para>
      <parablock>
        <para>inlassen van wat eiser in de zienswijze naar voren heeft gebracht, zij niet kan afleiden</para>
        <para>waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Het enkel verwijzen naar</para>
        <para>argumenten in de zienswijze kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden</para>
        <para>besluit. De rechtbank zal zich dan ook beperken tot de bespreking van de gronden die in</para>
        <para>beroep zijn aangevoerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mocht verweerder vinden dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. Ingevolge artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag zijn Palestijnse vreemdelingen die bescherming of bijstand genieten van de UNRWA uitgesloten van de vluchtelingenstatus.<footnote-ref linkend="_f39fe54c-55b4-4dd5-bb09-5ad7df35fac8" /> Is die bescherming of bijstand door de UNRWA echter opgehouden, dan hebben deze personen automatisch, ongeacht het asielrelaas, recht op de vluchtelingenstatus, uitzonderingen daargelaten<footnote-ref linkend="_bede6900-1358-431d-9e58-b07e80430d95" />. Artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag heeft rechtstreekse werking. <footnote-ref linkend="_f0db9684-a001-4632-bbb0-c3f8caae0ece" /> Dit maakt dat in ieder asielbesluit getoetst dient te worden aan dit artikel. Indien dit artikel niet van toepassing is, dient alsnog getoetst te worden of de vreemdeling op basis van zijn asielrelaas een gegronde vrees heeft voor vervolging<footnote-ref linkend="_ff0b8da9-533d-4d1b-959c-ff40dafd454d" />.</para>
      <para />
      <para>8. De rechtbank overweegt dat uit recente jurisprudentie volgt dat voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling binnen de reikwijdte van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag valt, niet zozeer doorslaggevend is of hij is geregistreerd bij de UNRWA, maar vooral of hij kort vóór het indienen van een asielverzoek daadwerkelijk bijstand van de UNRWA heeft ontvangen.<footnote-ref linkend="_5a85b049-8eda-4c54-96cf-4f7c4ff3bf7b" /> Dit criterium volgt uit het arrest El Kott<footnote-ref linkend="_f0767349-c709-45f7-a3f5-e3b5bfff96dc" /> van het Hof van Justitie van de Europese Unie waarin is bepaald dat de uitsluitingsclausule ook van toepassing is op diegenen die de bijstand daadwerkelijk hebben genoten kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat. Indien de vreemdeling is geregistreerd bij de UNRWA, is dan ook onderzoek nodig naar de vraag of de vreemdeling daadwerkelijk bescherming van UNRWA heeft genoten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vraag of eiser daadwerkelijk bescherming van UNRWA heeft genoten. Verweerder heeft eiser slechts één keer, tijdens het aanmeldgehoor, bevraagd naar de bescherming van UNRWA. Op de vraag of eiser om bescherming heeft verzocht bij een VN-organisatie heeft eiser bevestigend geantwoord en gespecificeerd dat dat bij de UNRWA was.<footnote-ref linkend="_d4daa0aa-04b3-413f-9b51-fb8d7c5219c0" /> Vervolgens is hem gevraagd naar zijn registratienummer, waarop eiser heeft geantwoord dit niet meer te weten. Tot slot is hem gevraagd waar de bijbehorende documenten zijn, waarop eiser heeft geantwoord die niet te hebben.<footnote-ref linkend="_b05f87d8-9f67-4964-b2b7-42236373e6f8" /> Ter zitting heeft de waarneemster van de gemachtigde van eiser verklaard dat eiser bij UNRWA geregistreerd was toen hij in Gaza was. De rechtbank constateert dat er zowel in het aanmeldgehoor alsook in het nader gehoor niet verder is doorgevraagd naar de bescherming en eisers registratie. Uit de Werkinstructie 2021/13 van verweerder volgt dat er een samenwerkingsverplichting tussen de hoormedewerker en de vreemdeling bestaat en dat de hoormedewerker voldoende moet doorvragen.<footnote-ref linkend="_f6f27007-f5f8-4aab-b468-e7a8f61e06be" /> De hoormedewerker luistert naar indicaties, zoals de verbanden tussen de verklaringen of ervaringen van de vreemdeling enerzijds en de gronden van asiel anderzijds.<footnote-ref linkend="_8174fd08-4ae2-4e6b-b958-7368cd07433e" /> In dat licht had het op de weg van verweerder gelegen om door te vragen naar de bescherming door UNRWA waar eiser om verzocht zou hebben, en eiser expliciet te vragen hoe en wanneer hij om die bescherming heeft verzocht, of hij de bescherming daadwerkelijk heeft genoten, en wat die bescherming concreet inhield. Dat is niet gebeurd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zijn onderzoeksplicht heeft geschonden en dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is genomen. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.</para>
      <para />
      <para>9. Los van het nader onderzoek naar de bescherming door UNRWA zelf, draagt de rechtbank verweerder ook op om in het nieuwe besluit een standpunt in te nemen over welk moment het toetsingsmoment moet zijn voor de vraag of bescherming kort voor of direct voorafgaand aan een asielaanvraag is genoten. Verweerder dient daarbij te motiveren of dit in het geval van eiser zijn asielaanvraag in Griekenland of in Nederland is. Eiser heeft Gaza op 27 november 2020 verlaten<footnote-ref linkend="_e2010c6f-683b-4937-94b2-f0493f73aaa3" /> en heeft op 2 februari 2021 in Griekenland een verblijfsvergunning asiel aangevraagd<footnote-ref linkend="_3a8fa9c1-b2b4-4bf5-a5a7-320788a90189" />. Op 17 maart 2021 heeft Griekenland eiser een tijdelijke verblijfsvergunning asiel verleend<footnote-ref linkend="_135165dd-4428-4019-a481-215ee90d03d8" />. Eiser heeft vervolgens op 18 november 2023 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op basis van het bovenstaande constateert de rechtbank dat eiser zijn eerste verzoek om internationale bescherming al in 2021 kenbaar heeft gemaakt toen hij in Griekenland asiel aanvroeg. Met inachtneming van het criterium dat voor toepassing van artikel 1(D) van het Vluchtelingenverdrag iemand kort vóór het indienen van een asielverzoek in een lidstaat<footnote-ref linkend="_2a797f3e-4efe-4c7a-a0c6-5b89a3cfa86b" /> bijstand van UNRWA moet hebben genoten, dient verweerder in het nieuwe besluit nader te onderbouwen welke asielaanvraag bepalend is voor het toetsingsmoment. </para>
      <para />
      <para>10. In beroep heeft eiser verder aangevoerd dat uit de door hem overgelegde documenten volgt dat zijn persoonlijke problemen met Hamas aan het Vluchtelingenverdrag raken en dat verweerder die documenten ten onrechte niet heeft betrokken in de besluitvorming. De rechtbank is van oordeel dat het besluit inderdaad niet zorgvuldig tot stand is gekomen nu verweerder eiser ten onrechte niet heeft bevraagd over de door eiser overgelegde documenten en ze niet kenbaar bij de beoordeling zijn betrokken. Ter zitting heeft verweerder erkend dat in het nader gehoor geen vragen gesteld zijn over deze stukken maar gesteld dat deze wel zouden zijn betrokken in de besluitvorming. De rechtbank volgt dit standpunt van verweerder niet. In het bestreden besluit wordt slechts herhaald wat eiser in de zienswijze heeft gesteld over de door hem overgelegde documenten.<footnote-ref linkend="_65fec95f-e3b0-4b5c-b61d-c3cb3465cd77" /> Verweerder gaat niet inhoudelijk in op die documenten en op welke wijze deze zijn betrokken in de besluitvorming. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de door eiser afgelegde verklaringen over zijn gestelde mishandeling<footnote-ref linkend="_1b02e0ad-e63e-4b59-a3ca-d3089bba14cd" /> en de inhoud van de documenten, aanleiding had moeten zien om eiser hierover te bevragen tijdens het nader gehoor en in het voornemen en het besluit duidelijk kenbaar had moeten maken hoe deze documenten in de beoordeling zijn betrokken. Door dat na te laten, is naar het oordeel van de rechtbank ook op dit punt sprake van een zorgvuldigheidsgebrek. Met het standpunt van verweerder ter zitting is dit gebrek niet weggenomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om dit gebrek te passeren.</para>
      <para />
      <para>11. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Alleen daarom al is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit in aanmerking voor vernietiging, zonder dat de overige gronden van beroep nog bespreking behoeven. De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder het antwoord op de vraag of eiser valt onder de toepassing van artikel 1(D) of op basis van een van de andere gronden een vluchtelingenstatus krijgt, relevant weet omdat dan voor een eventuele afwijzing van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond op basis van de openbare orde, sprake moet zijn van een bijzonder ernstig misdrijf<footnote-ref linkend="_1bcc89cc-ddfb-484c-92a2-b9f96c92367b" />. </para>
      <para />
      <para>12. De rechtbank zal verweerder opdragen om eiser binnen acht weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te horen waarbij de door eiser overgelegde documenten betrokken moeten worden en rekening gehouden moet worden met wat de rechtbank heeft overwogen onder rechtsoverwegingen 7. tot en met 10. De termijn waarbinnen verweerder daarna een nieuw besluit dient te nemen op eisers asielaanvraag, stelt de rechtbank vast op acht weken. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>13. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.<footnote-ref linkend="_03cf0731-8de1-45b5-a1dc-3053b37be789" /> De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder moet eiser binnen acht weken opnieuw horen. Voorts moet verweerder binnen acht weken een nieuw besluit nemen op de aanvraag en daarbij rekening houden met deze uitspraak.<footnote-ref linkend="_5a3581ba-770b-4545-a4c7-76ed947d2c19" /></para>
    <para />
    <para>14. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. </para>
    <para />
    <para>15. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eiser gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €2.721,-.<footnote-ref linkend="_e33f1932-85a0-4e1d-8e66-76e32d2d07af" /></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het bestreden besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op eiser binnen acht weken opnieuw te horen en daarna binnen acht weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een totaalbedrag van €2.721,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing in uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_9badd3db-f75f-4ba5-82f8-2272d47ba0cd" label="1">
    <para> Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_31bf2e1b-5823-424a-b1fb-b6b95c7d4955" label="2">
    <para> Op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_63c77d7e-6ed0-443e-be34-5402e6c8314b" label="3">
    <para> Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder j van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_862cf5b3-dbe7-4fdb-b20f-62fca595ba0b" label="4">
    <para> Uitspraak van 2 januari 2025 van de rechtbank Zeeland-West-Braband, ECLI:NL:RBZWB:2025:15.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_63b6a960-fcf6-4679-984a-52762c721e9b" label="5">
    <para> Op grond van paragraaf A4/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d512e674-bf6a-4c25-80d5-8fcf55cf9f5f" label="6">
    <para> Zoals volgt uit paragraaf C2/7.10.3 van de Vc. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_b81ff099-53f2-497a-b7a0-f23df6e21a2b" label="7">
    <para> Uitspraak van 23 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9075.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_45a86ec7-60ae-4227-8546-074f61748e01" label="8">
    <para> Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 2018/1861 (SIS-verordening).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ed8b075-a27a-4eaf-93ec-0353144de0e2" label="9">
    <para> Richtlijn 2008/115/EG.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f39fe54c-55b4-4dd5-bb09-5ad7df35fac8" label="10">
    <para> Een asielaanvraag wordt dan afgewezen voor wat betreft de ‘a’-grond uit artikel 29, eerste lid, van de Vw. De toets aan de ‘b’-grond uit datzelfde artikel dient nog wel op de gebruikelijke wijze plaats te vinden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bede6900-1358-431d-9e58-b07e80430d95" label="11">
    <para> Bijvoorbeeld wanneer sprake is van een andere uitsluitingsgrond, zoals artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0db9684-a001-4632-bbb0-c3f8caae0ece" label="12">
    <para> Zie ook artikel 12 van de Kwalificatierichtlijn (2011/95/EU).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ff0b8da9-533d-4d1b-959c-ff40dafd454d" label="13">
    <para> Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a85b049-8eda-4c54-96cf-4f7c4ff3bf7b" label="14">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1129, bevestigd in de uitspraak van 9 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3202.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0767349-c709-45f7-a3f5-e3b5bfff96dc" label="15">
    <para> Uitspraak van 19 december 2012, ECLI:EU:C:2012:826, r.o. 52.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d4daa0aa-04b3-413f-9b51-fb8d7c5219c0" label="16">
    <para> Verslag van het gehoor aanmeldfase van 6 februari 2024, p. 12.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b05f87d8-9f67-4964-b2b7-42236373e6f8" label="17">
    <para> Idem.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f6f27007-f5f8-4aab-b468-e7a8f61e06be" label="18">
    <para> WI 2021/13, p. 3, 8, 10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8174fd08-4ae2-4e6b-b958-7368cd07433e" label="19">
    <para> WI 2021/13, p. 9.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2010c6f-683b-4937-94b2-f0493f73aaa3" label="20">
    <para> Verklaring Hogere Autoriteit voor Stammenzaken van 13 juli 2021.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a8fa9c1-b2b4-4bf5-a5a7-320788a90189" label="21">
    <para> Dossierstuk 40 | Resultaat bevraging systeem obv biometrie, p. 2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_135165dd-4428-4019-a481-215ee90d03d8" label="22">
    <para> Idem.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2a797f3e-4efe-4c7a-a0c6-5b89a3cfa86b" label="23">
    <para> Wat volgt uit het El Kott arrest, ECLI:EU:C:2012:826.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65fec95f-e3b0-4b5c-b61d-c3cb3465cd77" label="24">
    <para> Bestreden besluit van 23 juni 2025, p. 2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b02e0ad-e63e-4b59-a3ca-d3089bba14cd" label="25">
    <para> Verslag van het nader gehoor van 11 november 2024, p. 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1bcc89cc-ddfb-484c-92a2-b9f96c92367b" label="26">
    <para> Op grond van paragraaf C2/7.10.3 van de Vc.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_03cf0731-8de1-45b5-a1dc-3053b37be789" label="27">
    <para> Op grond van artikelen 3:46 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5a3581ba-770b-4545-a4c7-76ed947d2c19" label="28">
    <para> De rechtbank geeft hierbij toepassing aan artikel 8:72, vierde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e33f1932-85a0-4e1d-8e66-76e32d2d07af" label="29">
    <para> 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>