<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:17026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-16T13:17:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.25168</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17026">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:17026</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-16T13:17:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:17026 Rechtbank Den Haag , 16-09-2025 / NL25.25168</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17026:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroepen niet tijdig, asiel</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:17026:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.25168</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam] , eiser,</title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.R. Nohar).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 13 juni 2022. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.<footnote-ref linkend="_e0e8f719-6f4c-4719-9a54-7125cc31d628" /></para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Van welke aanvraag wordt uitgegaan?  </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft op 13 juni 2022 zijn asielaanvraag in Nederland ingediend. Op 15 juli 2022 heeft de minister Italië verzocht eiser op grond van de Dublinverordening over te nemen.<footnote-ref linkend="_4c4be59e-d1aa-467b-a1e4-c2b234683d06" /> De Italiaanse autoriteiten zijn op 30 augustus 2022 met dit verzoek akkoord gegaan. De minister dient eiser uiterlijk binnen zes maanden over te dragen aan de Italiaanse autoriteiten.<footnote-ref linkend="_67bacd64-b5fb-4942-b77b-428356559a39" /> Naar aanleiding hiervan heeft de minister de asielaanvraag van eiser bij besluit van 16 december 2022 niet in behandeling genomen. Met de brief van 30 januari 2023 heeft de minister laten weten de overdrachtstermijn te hebben verlengd naar achttien maanden.<footnote-ref linkend="_d20c04f3-d366-4649-82b3-1d525d717806" /> Eiser had uiterlijk op 1 maart 2023 aan de Italiaanse autoriteiten moeten worden overgedragen. Uit het dossier blijkt dat eiser niet tijdig is overgedragen. De rechtbank stelt vast dat de minister per 2 maart 2023 verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser. De rechtbank stelt verder vast dat eiser op 15 februari 2024 een nieuwe asielaanvraag heeft ingediend. </para>
    <para />
    <para>3. Uit de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_15c91aaf-6860-4408-a73e-2f2ac505420f" /> van 4 maart 2024<footnote-ref linkend="_50053b4c-c0f6-4bf4-a60f-0aeeb5f36f97" />, blijkt dat een besluit om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen geen definitief besluit is op de aanvraag. Als de Dublinoverdracht niet tijdig heeft plaatsgevonden en Nederland alsnog de verantwoordelijke lidstaat wordt, betekent het oorspronkelijke buiten behandeling laten van de asielaanvraag niet dat hiermee de (eerste) aanvraag definitief is afgedaan. Met het verantwoordelijk worden van Nederland voor de asielaanvraag valt die aanvraag weer open, zodat de minister die alsnog inhoudelijk moet behandelen. Een nieuwe aanvraag, na een besluit de eerste aanvraag niet in behandeling te nemen, is daarom geen nieuwe aanvraag, maar een herhaling van het eerdere verzoek om bescherming. </para>
    <para />
    <para>4. Nadat Nederland verantwoordelijk was geworden voor de aanvraag van eiser, had de minister een besluit moeten nemen op de oorspronkelijke aanvraag. Het indienen van een nieuwe asielaanvraag was dan ook niet nodig. De rechtbank zal het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom zien als gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 13 juni 2022. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvraag te beslissen is verstreken.<footnote-ref linkend="_5f2142f6-0625-49fe-9fd6-e393ce883d55" />Eiser heeft de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen.<footnote-ref linkend="_39a63a81-9244-46d0-915d-b722654b76b1" /> Dat heeft de minister niet gedaan en eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.<footnote-ref linkend="_d4ea0cae-49d3-4885-93a7-5f95416c9c58" /></para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvraag.<footnote-ref linkend="_547571d9-6eb2-41fb-837d-6d3c1c8e524b" /> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’.<footnote-ref linkend="_8422c3de-a40d-4be1-8bc9-bbb10607344f" /></para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden<footnote-ref linkend="_658e8978-cab0-4dd3-aaf0-a0ea72ae63c4" /> is overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister in principe binnen een termijn van acht weken een besluit moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Welke dwangsom legt de rechtbank op?</emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </parablock>
    <para>9.  De rechtbank legt alleen een rechterlijke dwangsom op.<footnote-ref linkend="_4ba16bdb-0c88-4ad0-b142-9ea9570682a3" /></para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvraag neemt, de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.<footnote-ref linkend="_028507bb-156e-4403-9cce-45c4615f01be" /><?linebreak?></para>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <para>11. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en de minister acht weken de tijd krijgt om alsnog een besluit te nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiser een dwangsom verschuldigd.  </para>
    <para />
    <para>12. De minister moet de door eiser gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.<footnote-ref linkend="_c2341d42-0a51-457f-859e-f034b641d09e" /></para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van het bekendmaken van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_e0e8f719-6f4c-4719-9a54-7125cc31d628" label="1">
    <para>Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c4be59e-d1aa-467b-a1e4-c2b234683d06" label="2">
    <para> Artikel 13, eerste lid, van de Dublinverordening</para>
  </footnote>
  <footnote id="_67bacd64-b5fb-4942-b77b-428356559a39" label="3">
    <para> Artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d20c04f3-d366-4649-82b3-1d525d717806" label="4">
    <para> Artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_15c91aaf-6860-4408-a73e-2f2ac505420f" label="5">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_50053b4c-c0f6-4bf4-a60f-0aeeb5f36f97" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:881. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5f2142f6-0625-49fe-9fd6-e393ce883d55" label="7">
    <para> Artikel 42 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_39a63a81-9244-46d0-915d-b722654b76b1" label="8">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_d4ea0cae-49d3-4885-93a7-5f95416c9c58" label="9">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_547571d9-6eb2-41fb-837d-6d3c1c8e524b" label="10">
    <para> Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8422c3de-a40d-4be1-8bc9-bbb10607344f" label="11">
    <para> ECLI:NL:RVS:2020:1560. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_658e8978-cab0-4dd3-aaf0-a0ea72ae63c4" label="12">
    <para> Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4ba16bdb-0c88-4ad0-b142-9ea9570682a3" label="13">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_028507bb-156e-4403-9cce-45c4615f01be" label="14">
    <para> Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c2341d42-0a51-457f-859e-f034b641d09e" label="15">
    <para> Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepsschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>