<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:16922</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-10T11:09:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBAMS:2025:1529</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 23/11688 en AWB 23/11689</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2025:2669" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#niet ontvankelijk">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2025:2669, Niet ontvankelijk</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16922">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16922</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-22T08:21:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:16922 Rechtbank Den Haag , 12-03-2025 / AWB 23/11688 en AWB 23/11689</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:16922:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing aanvraag tot het verlenen van een faciliterend visum. Vastgesteld dat referent nimmers vewrblijfsrecht heeft gehad in Nederland. Eiser kan geen rechten ontlenen aan referent in Nederland. Aanvraag mocht worden afgewezen. Beroep ongegrond. Vovo afgewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:16922:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: 	AWB 23/11688 (beroep)</para>
    <para>AWB 23/11689 (voorlopige voorziening)</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 12 maart 2025 in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, </para>
    <para>Geboren op [geboortedatum] 1979, van Pakistaanse nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser</para>
    <para>(gemachtigde: [gemachtigde] ),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de minister van Buitenlandse Zaken, </emphasis>namens deze; Procesvertegenwoordiging IND, hierna: de IND.</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot het verlenen van een faciliterend visum en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 9 november 2020 verzocht om de afgifte van een faciliterend visum op grond van de Verblijfsrichtlijn (Richtlijn).<footnote-ref linkend="_1b601f94-6ef5-426e-9f9b-4aabc50a5b38" /> De IND heeft deze aanvraag met het besluit van 18 november 2020 afgewezen. Met het besluit van 6 mei 2021 is het bezwaarschrift van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Tegen dit besluit is op 7 juni 2021 beroep ingesteld. De IND heeft het besluit van 6 mei 2021 op 23 augustus 2022 ingetrokken en medegedeeld een nieuwe beslissing te nemen, waarna eiser zijn beroep heeft ingetrokken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Eiser heeft op 23 juni 2023 een ingebrekestelling ingediend bij de IND.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Met het bestreden besluit van 18 september 2023 heeft de IND opnieuw op het bezwaarschrift van eiser beslist. De IND is bij de afwijzing van de aanvraag gebleven en heeft het bezwaarschrift van eiser kennelijk ongegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en P.L.D. Bihare als tolk. De IND heeft voorafgaand aan de zitting laten weten niet te verschijnen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De rechtbank beoordeelt of de IND de aanvraag van eiser om een faciliterend visum mocht afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is<emphasis role="italic">.</emphasis> Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Achtergrond van de zaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1979 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een faciliterend visum voor verblijf bij zijn broer, de heer [gemachtigde] (referent) in Nederland. De referent heeft de Britse nationaliteit en staat sinds 12 maart 2020 in Nederland op een adres in [woonplaats] ingeschreven in de Basisregistratie Personen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>In het primaire besluit heeft de IND de aanvraag afgewezen, omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Volgens de IND is uit onderzoek gebleken dat eiser misbruik probeert te maken van het recht op vrij verkeer. In het bestreden besluit heeft de IND dit standpunt gehandhaafd en wordt tegengeworpen dat met het besluit van 13 september 2023 is vastgesteld dat referent nimmer verblijfsrecht heeft gehad in Nederland. Om deze reden kan aan eiser een faciliterend visum worden geweigerd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mocht verweerder de aanvraag van eiser afwijzen?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. Eiser voert – kort samengevat – aan dat zijn beroep afhankelijk is van de rechten van zijn broer die zijn toegekend op 16 juli 2020. De IND heeft onredelijk gehandeld door deze rechten af te nemen.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Voor het verkrijgen van een faciliterend visum is vereist dat de vreemdeling die het visum aanvraagt valt onder de definitie van familielid uit de Richtlijn. In artikel 5 van de Richtlijn is bepaald dat een familielid van een burger van de Unie gefaciliteerd kan worden bij het verkrijgen van een visum om het grondgebied van de lidstaten binnen te komen. Om in aanmerking te komen voor een visum op grond van de Richtlijn moeten de volgende drie vragen bevestigend beantwoord worden.<footnote-ref linkend="_082ce90a-4bbb-44d3-a377-b6d489b9180d" /></para>
        <para>1. Is er een burger van de Unie aan wie de visumaanvrager rechten kan ontlenen?</para>
        <para>2. Valt de visumaanvrager onder de definitie van ‘familielid’?</para>
        <para>3. Begeleidt de aanvrager de burger van de Unie of voegt hij zich bij hem?</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referent de Britse nationaliteit heeft. De vraag in dit verband is of referent een burger is van de Unie aan wie eisers in Nederland rechten kunnen ontlenen. Hierbij is van belang dat referent zelf rechtmatig verblijf moet hebben in Nederland en dit ook aannemelijk moet maken. De rechtbank overweegt dat hoewel Britse staatsburgers formeel geen Unieburgers meer zijn, zij op grond van het Terugtrekkingsakkoord<footnote-ref linkend="_5cc4a482-5c84-469b-808e-0a26b1dc2acf" /> tijdens de overgangsperiode van 1 februari 2020 tot en met 31 december 2020 een beroep kunnen doen op verblijfsrechten die aan de Richtlijn worden ontleend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft in haar uitspraak van 12 maart 2025 geoordeeld dat de minister van Asiel en Migratie de verblijfsvergunning van referent op goede gronden heeft mogen intrekken.<footnote-ref linkend="_a2bfe16d-e712-4346-b9da-6eba7bc43bd3" /> Bij besluit van 13 september 2023 is vastgesteld dat referent nimmer verblijfsrecht heeft gehad in Nederland, dat er onjuiste informatie is verstrekt en informatie is achtergehouden. Uit Suwinet-gegevens is gebleken dat referent nooit werkzaamheden bij [bedrijf] heeft aangevangen. Dit betekent dat de referent geen rechtmatig verblijf had in Nederland. De rechtbank komt tot de conclusie dat eiser geen rechten kan ontlenen aan referent in Nederland. Nu de eerste onder rechtsoverweging 4.1. genoemde vragen negatief zijn beantwoord, heeft de IND naar het oordeel van de rechtbank de aanvraag van eiser mogen afwijzen aangezien alle drie de vragen positief beantwoord dienen te worden om de aanvraag te kunnen toewijzen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ingebrekestelling</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>5. Eiser heeft de IND in gebreke gesteld. De ingebrekestelling is op 23 juni 2023 ontvangen door de IND. De IND heeft op 18 september 2023 een beslissing genomen op het bezwaarschrift van eiser. De IND heeft niet binnen twee weken na ontvangst van de ingebrekestelling beslist. De IND stelt zich op het standpunt dat de ingebrekestelling terecht is, maar dat zij geen dwangsom hoeft te betalen omdat in dit geval het bezwaarschrift kennelijk ongegrond is.<footnote-ref linkend="_d9bda915-2aec-4b9c-82f1-e7edc7334c3a" /> De rechtbank volgt het standpunt van de IND. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.</para>
      <para>Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
  </section>
  <footnote id="_1b601f94-6ef5-426e-9f9b-4aabc50a5b38" label="1">
    <para> Richtlijn 2004/38/EG.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_082ce90a-4bbb-44d3-a377-b6d489b9180d" label="2">
    <para> Artikel 2, tweede lid, onder d, van de Richtlijn 2004/38/EG, geïmplementeerd in artikel 8.7, tweede lid, onder d, van het Vb 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5cc4a482-5c84-469b-808e-0a26b1dc2acf" label="3">
    <para> Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (2019/C 384 I/01).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2bfe16d-e712-4346-b9da-6eba7bc43bd3" label="4">
    <para> Zie de uitspraak van deze rechtbank met zaaknummers: AWB 23/11685 en AWB 23/11686.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d9bda915-2aec-4b9c-82f1-e7edc7334c3a" label="5">
    <para> Artikel 4:17, zesde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>