<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:16547</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-09T17:00:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-09-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.27324</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16547">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16547</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-05T12:41:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:16547 Rechtbank Den Haag , 05-09-2025 / NL25.27324</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:16547:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Frankrijk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, arrest Tarakhel, artikel 17 DVo, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:16547:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.27324 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 september 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 14 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_444e7dbc-808e-417f-ade6-e609043b30df" /> In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om overname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Mag de minister voor Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Eiseres betoogt dat de minister voor Frankrijk niet uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit het AIDA-rapport “Country Report: France 2024 Update” (het AIDA-rapport) blijkt namelijk dat in Frankrijk structurele tekortkomingen zijn in de asielprocedure en de opvang. Bepaalde regio’s en prefecturen hebben grote problemen met het bieden van opvang, zodat asielzoekers grotendeels op straat terecht komen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit meest recente AIDA-rapport nog niet in uitspraken betrokken, waardoor op dit punt niet van eerdere Afdelingsuitspraken uit kan worden gegaan. Verder betoogt eiseres dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel. De minister moet namelijk op eigen initiatief rekening houden met relevante informatie over de mogelijke structurele tekortkomingen in de asielprocedure voor personen die in de verantwoordelijke lidstaat om internationale bescherming verzoeken. Deze informatie is niet betrokken bij het besluit, terwijl de minister van de opvangsituatie in Frankrijk op de hoogte zou moeten zijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat voor Frankrijk mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister stelt terecht dat eiseres geen informatie heeft overgelegd waaruit volgt dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank is het met eiseres eens dat uit diverse AIDA-rapporten blijkt dat sprake is van problemen in de Franse opvangvoorzieningen. De Afdeling heeft echter geoordeeld dat uit de AIDA-rapporten niet volgt dat deze problemen zodanig zijn dat Dublinterugkeerders momenteel een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer in Frankrijk.<footnote-ref linkend="_0faf3320-08ce-446e-8f36-113fc7434032" /> Anders dan eiseres heeft betoogd, heeft de Afdeling (onder meer) in de uitspraak van 31 juli 2025 wel een oordeel gegeven over het meest recente AIDA-rapport en geoordeeld dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan volgt uit de landeninformatie die al eerder is betrokken. Dit betekent dat voor Frankrijk nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De autoriteiten in Frankrijk hebben daarnaast met het claimakkoord gegarandeerd het verzoek van eiseres om internationale bescherming in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese regelgeving en opvang te bieden aan eiseres. Indien eiseres in Frankrijk te maken krijgt met tekortkomingen in de opvangvoorzieningen, bij de behandeling van haar asielaanvraag, of anderszins, kan zij hierover klagen bij de Franse (of hogere) autoriteiten. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is eiseres bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel?</emphasis>
        </para>
        <para>5.	Eiseres betoogt dat zij (bijzonder) kwetsbaar is zoals bedoeld in het Tarakhel arrest.<footnote-ref linkend="_7c22a152-c68e-42e4-86da-a2f321d1489b" /> De minister dient daarom aanvullende garanties te vragen aan de Franse autoriteiten. De (bijzondere) kwetsbaarheid blijkt volgens eiseres uit haar GZA (Gezondheidszorg asielzoekers)-journaal, haar uitingen tijdens de aanmeldgehoren en de calamiteitenmelding van 17 juni 2025. Verder wijst eiseres ook in dit kader op het AIDA-rapport waaruit blijkt dat asielzoekers grotendeels op straat terechtkomen. Als eiseres uitgesloten is van opvang, zal zij ook uitgesloten zijn van medische zorg terwijl deze zorg voor haar noodzakelijk is vanwege haar opgelopen trauma’s in Frankrijk. De minister is hier ten onrechte aan voorbijgegaan. Eiseres wijst daarnaast op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 3 juni 2024.<footnote-ref linkend="_4e98f464-5fff-460a-a01c-82cc419bd631" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Uit het Tarakhel-arrest volgt dat de verzoekende lidstaat voor bijzonder kwetsbare vreemdelingen voorafgaand aan de overdracht aan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat aanvullende garanties dient te vragen indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij zonder die garanties geen toereikende zorg- en opvangvoorzieningen zal kunnen krijgen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijzondere kwetsbaarheid. Uit de GZA-journaalregels blijkt dat eiseres een aantal medische klachten heeft, maar de minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat deze klachten onvoldoende ernstig zijn om eiseres aan te merken als bijzonder kwetsbaar. Verder heeft eiseres geen andere medische stukken overgelegd die aannemelijk maken dat zij, zonder het verkrijgen van aanvullende garanties, in Frankrijk geen adequate zorg- en opvangvoorzieningen zal krijgen. Bovendien is niet gebleken dat eiseres onder een medische behandeling staat en daarbij is ook niet gebleken dat zij een eventuele behandeling niet in Frankrijk zou kunnen krijgen. De door eiseres aangehaalde uitspraak van deze rechtbank leidt niet tot een ander oordeel, nu in die zaak niet in geschil was dat de betrokkenen bijzonder kwetsbaar waren. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had de minister het asielverzoek van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich moeten trekken? </emphasis>
        </para>
        <para>6.	Eiseres betoogt dat de minister de asielaanvraag onverplicht in behandeling had moeten nemen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De minister heeft niet gemotiveerd waarom de persoonlijke en medische omstandigheden van eiseres geen aanleiding geven tot toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Het is daarnaast tegenstrijdig dat de minister in de medische toestand van eiseres geen aanleiding ziet om van een overdracht aan Frankrijk af te zien, maar wel een calamiteitmelding doet naar aanleiding van de zienswijze, de eigen verklaring van eiseres en de overgelegde medische stukken. De minister is verder niet gehouden om slechts in zeer uitzonderlijke situaties gebruik te maken van deze bevoegdheid. De terughoudende toepassing ervan is namelijk niet het doel van de Uniewetgever geweest, maar een politieke keuze.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen,<footnote-ref linkend="_653e28ef-7d1d-4b1b-acb4-01d0841d98f2" /> is het aan de minister om te beoordelen of in het specifieke geval sprake is van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden dat de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt. De rechter zal die beoordeling enigszins terughoudend moeten toetsen. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt ook dat de minister zijn besluit om geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid deugdelijk moet motiveren en moet reageren op wat een vreemdeling heeft aangevoerd. Wanneer een vreemdeling zich beroept op omstandigheden die verband houden met een verblijf in een andere lidstaat mag de minister volstaan met een kortere motivering. Als deze omstandigheden al zijn betrokken zijn bij de beoordeling of de minister voor die andere lidstaat mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, mag hij in beginsel verwijzen naar zijn standpunt daarover, zoals de minister in dit geval ook heeft gedaan.<footnote-ref linkend="_3bef5597-bf79-438d-a72c-301ae679bfa1" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de door eiseres geschetste omstandigheden geen aanleiding vormen om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. De minister verwijst ten eerste naar dat wat hij al heeft overwogen over het interstatelijk vertrouwensbeginsel, namelijk dat er geen aanwijzingen zijn dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Zoals de rechtbank onder 4.1 heeft geoordeeld mag voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. De minister stelt zich daarnaast niet ten onrechte en voldoende gemotiveerd op het standpunt dat de medische omstandigheden die eiseres aanvoert geen aanleiding zijn voor hem om de asielaanvraag van eiseres onverplicht in behandeling te nemen. De minister stelt dat eiseres met het door haar overgelegde medisch dossier niet nader heeft onderbouwd dat er is gebleken van (ernstige) psychische gevolgen van haar ervaringen in Frankrijk. Er zijn daarom geen aanwijzingen dat eiseres in Nederland specialistische zorg nodig heeft of een behandeling dient te ondergaan. De door eiseres overgelegde documenten, maken dit oordeel niet anders. Dat de minister ervoor kiest om terughoudend met zijn discretionaire bevoegdheid om te gaan, is een keuze waartoe de minister bevoegd is, en maakt het bovenstaande daarom niet anders. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom geen vergoeding van haar proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_444e7dbc-808e-417f-ade6-e609043b30df" label="1">
    <para> Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0faf3320-08ce-446e-8f36-113fc7434032" label="2">
    <para> Zie de uitspraken van de Afdeling van 9 oktober 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3737, van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1863, van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552 en van 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c22a152-c68e-42e4-86da-a2f321d1489b" label="3">
    <para>EHRM 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 (Tarakhel tegen Zwitserland).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e98f464-5fff-460a-a01c-82cc419bd631" label="4">
    <para> Rb. Den Haag (zp. Amsterdam) 3 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:8597.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_653e28ef-7d1d-4b1b-acb4-01d0841d98f2" label="5">
    <para> ABRvS 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164, onder 4. Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 juni 2025, zaaknummer NL25.13790.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3bef5597-bf79-438d-a72c-301ae679bfa1" label="6">
    <para> ABRvS 19 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1653, ABRvS 30 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1778, ABRvS 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1860, ABRvS 19 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2484, ABRvS 27 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4853, ABRvS 11 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:723 en ABRvS 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>