<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:16058</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-28T13:01:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24.34948</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16058">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:16058</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-28T13:01:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:16058 Rechtbank Den Haag , 28-08-2025 / 24.34948</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:16058:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin BZ, Kroatië, zienswijze, standaardvoornemen, verantwoordelijke lidstaat, art 17 Dvo, IVB</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:16058:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.34948 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam], eiser,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum],</para>
      <para>van Iraakse nationaliteit,</para>
      <para>V-nummer: [nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. C.K.E.E. Fischer-Fuhler),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 5 september 2024 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De minister heeft op 16 april 2025 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft nadere gronden ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft, na hiervoor toestemming te hebben gekregen van partijen, bepaald dat een zitting achterwege blijft.<footnote-ref linkend="_2bf1a64e-156d-410b-afa0-4c013b5b8919" /> De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_cc98d196-16ab-4792-b884-85b943591f7f" /> In dit geval heeft Nederland bij Kroatië op 7 mei 2024 een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op <?linebreak?>21 mei 2024 aanvaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zienswijze</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat de algemene stelling van eiser in beroep dat de zienswijze als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, onvoldoende is om aan te kunnen merken als een beroepsgrond waar de rechtbank over moet beslissen. De minister is in het besluit ingegaan op de zienswijze van eiser. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiser in beroep niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens hem niet juist of niet toereikend is, niet bespreken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Standaard voornemen </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser betoogt dat ten onrechte een standaard voornemen is uitgebracht. Volgens eiser had de minister in het voornemen al in moeten gaan op de ervaringen van eiser in Kroatië. Nu dit niet is gedaan is er sprake van een zorgvuldigheidsgebrek in de besluitvorming.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat het voornemen aan de daaraan gestelde vereisten voldoet, omdat het de dragende overwegingen bevat. Zo heeft de minister in het voornemen gemotiveerd waarom Kroatië verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. In het voornemen is daarnaast aangegeven dat er geen reden is om aan te nemen dat Kroatië zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Overigens kan het enkele feit dat niet alle afzonderlijke bezwaren van eiser uit het aanmeldgehoor kenbaar zijn betrokken bij een voornemen, op zichzelf niet leiden tot vernietiging van een bestreden besluit. De rechtbank verwijst in dat kader naar de uitspraken van de Afdeling<footnote-ref linkend="_8fcc457b-604c-40ba-9279-c1b594d09d83" /> van 23 november 2023 en 11 april 2025 en ziet in dat wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om hiervan af te wijken.<footnote-ref linkend="_5229213b-854d-425c-8bc0-70e368c7c5f2" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verantwoordelijkheid Kroatië</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom Kroatië de verantwoordelijke lidstaat is, en niet Griekenland. Volgens eiser is op grond van artikel 13 van de Dublinverordening Griekenland verantwoordelijk.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende gemotiveerd heeft waarom Kroatië de verantwoordelijke lidstaat is voor de asielaanvraag van eiser. De minister mocht zich baseren op het door Kroatië geaccepteerde claimverzoek. De enkele stelling dat eiser Europa is binnengereisd via Griekenland maakt dit niet anders.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 17 Dublinverordening</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>8. Eiser stelt dat er door de minister onvoldoende is doorgevraagd naar de persoonlijke en individuele omstandigheden die volgens hem aanleiding hadden moeten zijn om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De vragen van de minister waren te summier en de minister dient te beoordelen of de overdracht van een onevenredige hardheid getuigt en heeft niet benoemd welke feiten en omstandigheden hij in samenhang heeft betrokken. Ook blijkt volgens eiser, onder verwijzing naar het Uitvoeringsbesluit, nergens uit dat zijn verklaringen zijn doorgestuurd naar de Kroatische autoriteiten. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister in redelijkheid geen toepassing heeft hoeven geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zoals blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zijn omstandigheden die op onderwerpen zien die van betekenis zijn voor de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening, niet van betekenis voor de beoordeling of zich bijzondere, individuele omstandigheden voordoen die ertoe leiden dat een overdracht aan Kroatië getuigt van onevenredige hardheid.<footnote-ref linkend="_484b80ae-e3fe-41ab-9899-5889e82652a7" /> Enkel de niet onderbouwde persoonlijke ervaringen van eiser tijdens een eerder verblijf in Kroatië rechtvaardigen niet de conclusie dat de overdracht naar Kroatië getuigt van onevenredige hardheid. De minister heeft in het besluit daarom deugdelijk gemotiveerd waarom de omstandigheden die eiser aanvoert geen reden hoefden te zijn om van de overdracht aan Kroatië af te zien.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Risico’s Dublinclaimanten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Volgens eiser dient de minister nader onderzoek uit te voeren naar de recente situatie voor Dublinclaimanten, omdat er sprake is van pushbacks en grote tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Ter onderbouwing wijst eiser op een rapport van Centre for Peace Studies (CPS) van 19 januari 2024, een rapport van het Croatian Law Centre van 18 juli 2024 en op een uitspraak van zittingsplaats Zwolle van 21 oktober 2024. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024<footnote-ref linkend="_0ecc1aed-f14d-4e49-a15a-8c15d132340e" />, welke uitspraak nadien meerdere keren is bevestigd<footnote-ref linkend="_f12d1155-eaa2-4a8e-b4dd-8f9314a78c3e" />, volgt dat de minister nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. De Afdeling heeft in deze uitspraken toegelicht dat niet is gebleken van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië, waarvan de minister niet onkundig kon zijn en op grond waarvan de vreemdeling niet had mogen worden overdragen aan Kroatië. De Afdeling is daarbij ook uitgebreid ingegaan op de door eisers genoemde pushbacks en de andere genoemde rapporten. De Afdeling heeft geoordeeld dat de informatie in de brief van CPS van 19 januari 2024 geen wezenlijk ander beeld schetst dan de informatie die de Afdeling bij haar uitspraak van 9 oktober 2024 heeft betrokken. De verwijzing door eiser naar verschillende uitspraken van deze rechtbank treft dan ook geen doel. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om onderhavige zaak aan te houden, gelet op hetgeen de Afdeling in de aangehaalde uitspraken heeft geoordeeld over het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.2.</nr>
      <para>De persoonlijke ervaringen van eiser in Kroatië geven de rechtbank daarom nu geen aanleiding af te wijken van de jurisprudentie van de Afdeling. Eiser kan zich bij eventuele problemen wenden tot de Kroatische autoriteiten. Het is de rechtbank niet gebleken dat dit voor eiser bij voorbaat onmogelijk of zinloos is</para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2bf1a64e-156d-410b-afa0-4c013b5b8919" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc98d196-16ab-4792-b884-85b943591f7f" label="2">
    <para> Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8fcc457b-604c-40ba-9279-c1b594d09d83" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5229213b-854d-425c-8bc0-70e368c7c5f2" label="4">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348 en 11 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1642.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_484b80ae-e3fe-41ab-9899-5889e82652a7" label="5">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3164), <?linebreak?>2 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1860), en meer recentelijk van 27 november 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4853) en 9 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:44).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0ecc1aed-f14d-4e49-a15a-8c15d132340e" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:4037</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f12d1155-eaa2-4a8e-b4dd-8f9314a78c3e" label="7">
    <para> Zoals in de uitspraken van de Afdeling van 19 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4664, <?linebreak?>10 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5076 en 6 maart 2025 ECLI:NL:RVS:2025:919.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>