<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:15068</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-26T08:27:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-08-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.8948</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:15068">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:15068</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-26T08:27:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:15068 Rechtbank Den Haag , 07-08-2025 / NL25.8948</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:15068:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Polen, beroep ongegrond. Zienswijze herhaald en ingelast, standaard voornemen, interstatelijk vertrouwensbeginsel, nieuwe wetgeving Polen, uitspraken van Poolse premier Tusk, uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 17 juni 2025, geen nieuwe ontwikkelingen, klagen, artikel 17 Dublinverordening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:15068:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.8948 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres</title>
    <para>(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.         	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 25 februari 2025 niet in behandeling genomen omdat Polen ervoor verantwoordelijk is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Bij uitspraak van deze rechtbank van 18 maart 2025 is het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak verzet ingediend. Het verzet is op 27 mei 2025 gegrond verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank heeft het beroep van eiseres op 24 juli 2025 op zitting behandeld.</para>
        <para>De gemachtigde van eiseres en eiseres zelf zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiseres stelt de Tadzjiekse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum] 1971. Op 17 oktober 2024 heeft eiseres in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat zij een visum had in Polen dat ten tijde van haar asielaanvraag in Nederland minder dan zes maanden was verlopen. Polen is daarom volgens verweerder verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres.<footnote-ref linkend="_46b07ffb-945c-4718-805a-d3789902471d" /></para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiseres verwijst naar al hetgeen in de zienswijze is aangevoerd. Ook stelt eiseres dat het voornemen bestaat uit standaardtekstblokken, wat volgens eiseres een schending van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel oplevert. Eiseres meent dat zij bijzondere omstandigheden van individuele aard naar voren heeft gebracht, waardoor verwijzing naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 23 november 2023 niet opgaat en verweerder eiseres nader dient te horen over die bijzondere individuele omstandigheden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Eiseres stelt verder dat ten aanzien van Polen niet van het interstatelijke vertrouwensbeginsel uit kan worden gegaan. Uit verschillende bronnen volgt dat Dublinterugkeerders het risico lopen gedetineerd te worden in Polen. Polen maakt misbruik van het argument dat er een risico bestaat op een onderduik-situatie. Dit is in strijd met het arrest X<footnote-ref linkend="_bf76721c-c4b4-4e5d-ae42-60ebeb66eacb" />. Uit landeninformatie volgt dat Dublinterugkeerders niet goed geïnformeerd worden door de Poolse autoriteiten, dat detentieomstandigheden onder de standaard liggen, dat asielkinderen gedetineerd worden en dat er geen sprake is van effectiviteit van rechtsmiddelen. Eiseres kan vanwege haar medische situatie tot de groep van kwetsbaren worden gerekend. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in haar uitspraak duidelijk gemaakt dat het detineren van vreemdelingen waarvan duidelijk is dat zij een asielaanvraag in willen dienen onrechtmatig is. Ook blijkt uit de brief van VluchtelingenWerk dat pushbacks plaatsvinden in Polen. Verder verwijst eiseres -in het verzetschrift- naar de ontwikkelingen in Polen eind maart 2025 met betrekking tot plannen het recht op asiel (tijdelijk) af te schaffen, waardoor er niet vanuit gegaan kan worden dat Polen zich aan zijn internationale verplichtingen en de EU-regelgeving zal houden. <?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling hoefde te nemen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.</para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Verwijzing naar de zienswijze</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>6. De rechtbank overweegt dat de algemene verwijzing van eiseres in beroep naar</para>
      <parablock>
        <para>de zienswijze onvoldoende is om te kunnen aanmerken als een beroepsgrond waar de</para>
        <para>rechtbank over moet beslissen. Verweerder is in het besluit ingegaan op de zienswijze van</para>
        <para>eiseres. De rechtbank zal daarom de stellingen in de zienswijze, waarvan eiseres in beroep</para>
        <para>niet concreet heeft aangegeven waarom de reactie van de minister daarop volgens haar niet</para>
        <para>juist of niet toereikend is, niet bespreken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Standaard voornemen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. Over de stelling van eiseres dat verweerder heeft volstaan met stukken</para>
      <parablock>
        <para>standaard-tekst uit eerdere voornemens en beschikkingen, overweegt de rechtbank dat het</para>
        <para>voornemen een voorbereidingshandeling is en een mededeling van feitelijke aard, die niet is</para>
        <para>gericht op enig rechtsgevolg. Eiseres heeft door middel van het indienen van de zienswijze</para>
        <para>de gelegenheid om te reageren op het voornemen. In het bestreden besluit is meer specifiek</para>
        <para>ingegaan op de individuele situatie van eiseres. De hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_feb0ca1c-902d-445b-a57d-30fc08243b9e" /> heeft geoordeeld dat een standaardvoornemen wel aan de vereisten voldeed.<footnote-ref linkend="_2ca8fb21-234f-4029-b7b0-e435a7952dfd" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>8. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van</para>
      <parablock>
        <para>het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie</para>
        <para>hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt</para>
        <para>wordt slechts afgeweken als eiseres aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem</para>
        <para>dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan Polen een reëel risico loopt op</para>
        <para>een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_7fa60854-a077-4c14-a2f2-f0b24fd9b006" /> of artikel 4 van het Handvest<footnote-ref linkend="_2df073f4-f55e-4efc-8291-4c4d0fba10c6" />. Om</para>
        <para>onder de tekortkomingen van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest te</para>
        <para>vallen, moeten deze een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Of deze bereikt</para>
        <para>wordt, hangt af van de omstandigheden van het geval.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <parablock>
        <para>Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres er niet in geslaagd om aannemelijk</para>
        <para>te maken dat deze drempel in haar geval is bereikt. Het Hof van Justitie van de Europese</para>
        <para>Unie heeft in haar uitspraak van 29 februari 2024<footnote-ref linkend="_c1b9fba8-7592-4785-afa1-9b5aedbe3397" /> geoordeeld dat verweerder ten aanzien</para>
        <para>van Polen voor Dublinclaimanten van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan.</para>
        <para>Dit uitgangspunt heeft de hoogste bestuursrechter recentelijk nog bevestigd in de uitspraken van 19 mei 2025<footnote-ref linkend="_037fe14e-6936-49f1-80f8-cbffc71ae18c" /> waarin de uitspraak van 2 mei 2025 van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem,<footnote-ref linkend="_e7cb9aa6-fbee-4a28-9fe3-36f7515fe6cf" /> is bevestigd. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ervan kan worden uitgegaan dat Polen de internationale verplichtingen nakomt. De rechtbank heeft in haar beoordeling de nieuwe Poolse wetgeving en de door eiseres tijdens zitting aangehaalde uitspraken van de Poolse premier [naam] betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank geeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding om van het oordeel van de Afdeling van 19 mei 2025 af te wijken. Uit de gronden die eiseres zowel schriftelijk als ter zitting heeft aangevoerd, volgt namelijk niet dat er sinds de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2025 nieuwe ontwikkelingen zijn geweest. Het oordeel van de zittingsplaats Amsterdam van 17 juni 2025<footnote-ref linkend="_1c17960c-e901-4463-8f23-8395085fc52f" /> dat niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Polen, maakt het voorgaande niet anders. Ook de door eiseres ter zitting aangehaalde uitspraak op de voorlopige voorziening hangende dit beroep (met zaaknummer NL25.27627) kan eiseres niet baten, nu deze uitspraak nadrukkelijk geen (voorlopig) inhoudelijk oordeel bevat, maar slechts een belangenafweging. Ten slotte heeft eiseres niet - met (medische) stukken - onderbouwd dat zij behoort tot een kwetsbare groep.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.4</nr>
      <parablock>
        <para>Verder mag van eiseres worden verwacht dat zij zich bij voorkomende</para>
        <para>problemen in de Poolse opvangvoorzieningen of anderszins beklaagt bij de (hogere) Poolse</para>
        <para>autoriteiten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor haar niet is</para>
        <para>of dat de Poolse autoriteiten haar niet kunnen of willen helpen, dan wel dat het inroepen van</para>
        <para>hulp bij voorbaat zinloos is. Verweerder mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk</para>
        <para>vertrouwensbeginsel. De enkele (niet onderbouwde) stelling dat Dublinterugkeerders niet</para>
        <para>goed geïnformeerd worden door de Poolse autoriteiten, dat detentieomstandigheden onder</para>
        <para>de standaard liggen, dat asielkinderen gedetineerd worden en dat er geen sprake is van</para>
        <para>effectiviteit van rechtsmiddelen, doet hier niet aan af.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Artikel 17 van de Dublinverordening</emphasis>
        </para>
        <para>9. 	Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat verweerder gehouden was</para>
        <para>gebruik te maken van diens discretionaire bevoegdheid overeenkomstig artikel 17 van de</para>
        <para>Dublinverordening. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat hetgeen</para>
        <para>eiseres heeft aangevoerd, geen zodanig bijzondere, individuele omstandigheden betreffen</para>
        <para>dat deze maken dat haar overdracht aan Polen van een zodanige onevenredige hardheid</para>
        <para>getuigt waardoor verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken op grond</para>
        <para>van artikel 17 van de Dublinverordening. Eiseres heeft haar verklaringen niet onderbouwd</para>
        <para>en haar verklaringen zijn bovendien al betrokken in het kader van de vraag of er voor Polen nog van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Verder is onvoldoende onderbouwd dat de procedure die tot de totstandkoming van het bestreden</para>
        <para>besluit heeft geleid, in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.</para>
        <para>Bovendien heeft eiseres tijdens het Dublingehoor haar ervaringen en bezwaren tegen</para>
        <para>uitzetting naar Polen kunnen delen. Eiseres heeft niet nader onderbouwd welk nadeel zij heeft ondervonden als gevolg van het feit dat zij niet aanvullend is gehoord. Het bestreden</para>
        <para>besluit is voldoende zorgvuldig tot stand gekomen en voldoende gemotiveerd.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>10. De beroepsgronden slagen niet. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het besluit van verweerder om de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling te nemen omdat Oostenrijk ervoor verantwoordelijk is, in stand blijft. </para>
    <para />
    <para>11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>J.F. Elzenaar, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_46b07ffb-945c-4718-805a-d3789902471d" label="1">
    <para> Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_bf76721c-c4b4-4e5d-ae42-60ebeb66eacb" label="2">
    <para> Zie arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 2024,</para>
    <para>ECLI:EU:C:2024:195.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_feb0ca1c-902d-445b-a57d-30fc08243b9e" label="3">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2ca8fb21-234f-4029-b7b0-e435a7952dfd" label="4">
    <para> Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4348; Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2025 ECLI:NL:RVS:2025:1642.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7fa60854-a077-4c14-a2f2-f0b24fd9b006" label="5">
    <para> Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2df073f4-f55e-4efc-8291-4c4d0fba10c6" label="6">
    <para> Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c1b9fba8-7592-4785-afa1-9b5aedbe3397" label="7">
    <para> ECLI:EU:C:2024:195.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_037fe14e-6936-49f1-80f8-cbffc71ae18c" label="8">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:2254.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e7cb9aa6-fbee-4a28-9fe3-36f7515fe6cf" label="9">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:7695.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c17960c-e901-4463-8f23-8395085fc52f" label="10">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:10998.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>