<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:14834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-20T15:25:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24/1510</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14834">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14834</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-20T15:24:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:14834 Rechtbank Den Haag , 14-04-2025 / 24/1510</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:14834:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling. EUPOL. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:14834:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
  <para />
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/1510 </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2025 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, uit Afghanistan, eiser</para>
    <para>(gemachtigde: mr. F.W. Verbaas),</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de minister van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder </para>
    <para>(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).</para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser wegens het uitblijven van een tijdige beslissing op zijn verzoek om overbrenging naar Nederland. Gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beoordeelt de rechtbank ook het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn verzoek om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.1. Eiser heeft verweerder met de brief van 24 oktober 2023 verzocht om overbrenging vanuit Afghanistan voor hem en zijn familieleden.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.2. Op 26 februari 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn verzoek.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.3. Verweerder heeft het verzoek om overbrenging met het besluit van 29 april 2024 (het bestreden besluit) afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit rechtstreeks beroep ingesteld.<footnote-ref linkend="_85db1c81-76de-4f0b-95a6-cc5eb2df605e" /></para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.4. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>1.5. De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2025 op zitting behandeld. Het algemene juridisch-inhoudelijke deel is gelijktijdig behandeld met de zaken SGR 24/1500, SGR 24/1505, SGR 24/1503, SGR 24/1502, SGR 24/1516 en SGR 24/1511. Hierbij waren aanwezig de gemachtigde van eiser en A.R. Faquiri, als tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. W. Baron. </para>
  </parablock>
  <para />
  <para />
  <para />
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>2. Eiser heeft op 24 oktober 2023 verzocht om hem en zijn familieleden vanuit Afghanistan over te brengen naar Nederland. Eiser beroept zich op de Tolkenregeling, omdat hij van 2014 tot eind 2016 als timmerman bij het hoofdkwartier en het police staff college voor Nederlandse functionarissen van de European Union Police Mission (EUPOL) in [plaats] , Afghanistan heeft gewerkt. </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.1. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen, omdat niet is aangetoond dat eiser structureel werkzaamheden heeft verricht voor Nederlandse politiefunctionarissen in Afghanistan. Ook is een dreigende situatie, vanwege werkzaamheden die eiser destijds voor Nederland zou hebben verricht, niet aangetoond.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>2.2. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder op goede gronden het verzoek van eiser om overbrenging naar Nederland op grond van de Tolkenregeling heeft afgewezen.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <para>3. Verweerder heeft ten onrechte het verzoek van eiser op grond van de Tolkenregeling afgewezen. Uit de werkafspraken/de Tolkenregeling (of de Kamerbrieven) volgt niet het criterium dat iemand specifiek moet hebben gewerkt voor een Nederlandse functionaris om voor overbrenging in aanmerking te komen. Dat dit criterium door de Afdeling in het kader van de speciale voorziening is bevestigd maakt dit niet anders. Eiser heeft een substantiële periode, structurele werkzaamheden voor EUPOL verricht. Omdat dit zo’n lange periode betrof en omdat Nederland een substantiële bijdrage leverde aan de EUPOL-missie betekent dit dat eiser per definitie heeft gewerkt voor Nederlandse EUPOL-medewerkers, en eveneens dat dit substantieel is. Dit wordt bevestigd door mevrouw [naam 1] en de heren [naam 2] en [naam 3] . De motivering van verweerder dat eiser niet voor Nederlandse functionarissen heeft gewerkt, omdat hij voor alle EUPOL functionarissen heeft gewerkt acht eiser niet juist, omdat dit wil zeggen dat hij evenmin werkzaamheden heeft verricht voor medewerkers van andere delegaties. </para>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.1. Ook het criterium ‘voor het publiek zichtbare functie’ – als genoemd in de speciale voorziening – geldt niet voor de Tolkenregeling. Overigens was de functie van eiser voor het publiek zichtbaar. Hoewel een risicocriterium geldt, wordt er niet als vereiste gesteld dat sprake moet zijn van ‘hoogprofielwerkzaamheden’. Eiser heeft aannemelijk gemaakt dat hij persoonlijk risico loopt en bescherming nodig heeft. Er worden huiszoekingen gedaan, hij zit ondergedoken en vreest voor zijn leven. Verweerder heeft dan ook onvoldoende onderzoek gedaan naar het risico dat eiser op dit moment loopt als voormalig werknemer van de EUPOL-missie.</para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>3.2. De Tolkenregeling is niet gepubliceerd dus er is geen sprake van beleid, maar van een vaste gedragslijn. In dat geval moet de aanvaardbaarheid van het beleid in elk individueel geval worden vastgesteld. Dat is niet (of onvoldoende) gebeurd ten aanzien van het criterium van werkzaamheden voor een ‘specifieke Nederlandse functionaris’. De motivering met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel in het individuele geval, is onvoldoende in het bestreden besluit meegenomen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in strijd gehandeld met het evenredigheids-, motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. </para>
  </parablock>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para />
  <paragroup>
    <para>
      <emphasis role="underline">I. Beroep niet tijdig beslissen</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. Eiser heeft beroep ingesteld, omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op het verzoek om overbrenging. Omdat verweerder met het bestreden besluit alsnog op het verzoek heeft beslist, is het procesbelang van eiser komen te vervallen. De rechtbank verklaart het beroep in zoverre niet-ontvankelijk. </para>
    </parablock>
    <para />
  </paragroup>
  <bridgehead role="bold">II. Beroep tegen afwijzing verzoek om overbrenging</bridgehead>
  <para />
  <para>5. Eiser doet een beroep op de Tolkenregeling.<footnote-ref linkend="_f099335c-4f0e-471a-9356-720373184248" /> Die regeling komt voort uit een set werkafspraken uit 2014 tussen de ministeries van Defensie, Buitenlandse Zaken en Veiligheid en Justitie. Met die werkafspraken is uitvoering gegeven aan het kabinetsstandpunt dat lokale medewerkers die voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht en als gevolg daarvan gevaar lopen, op steun kunnen rekenen. Daarmee hebben de betrokken bestuursorganen de publieke taak aan zich getrokken om zich in te spannen voor de groep waarop die regeling ziet. Hoewel de Tolkenregeling geen specifieke wettelijke grondslag kent, kwalificeren beslissingen die aan de hand daarvan worden genomen wel als besluiten in de zin van het bestuursrecht.<footnote-ref linkend="_b6edf319-14f5-49a1-bfa7-4c0fde355f27" /> Omdat er geen specifieke wettelijke grondslag bestaat, gaat het bij de Tolkenregeling om zogeheten buitenwettelijk begunstigend beleid.<footnote-ref linkend="_5b0ef9be-dacf-4435-8b7b-e0c228880414" /> Bij het opstellen van zulk beleid heeft het kabinet veel beleidsruimte. De rechtbank toetst dit beleid dan ook terughoudend.</para>
  <para />
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Wie kan een beroep doen op de Tolkenregeling</emphasis>?</para>
  </parablock>
  <para />
  <para>6. Het antwoord op de vraag wie een geslaagd beroep op de Tolkenregeling kan doen, moet worden gezocht in een combinatie van verschillende Kamerstukken. Volgens het kerndocument<footnote-ref linkend="_a5e00b3b-5216-430c-a472-b0dac0f0fb45" /> geldt de Tolkenregeling voor lokale medewerkers die voor een substantiële periode ten behoeve van een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht, en als gevolg daarvan aannemelijk kunnen maken dat zij persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben. De aard van de werkzaamheden kan van invloed zijn op de aannemelijkheid dat iemand als gevolg daarvan bescherming nodig heeft. In beginsel wordt die kans hoger geacht bij ‘hoog profiel werkzaamheden’, waarbij iemand zichtbaar en regelmatig met een Nederlandse missie in verband is gebracht, zoals bij tolk- en chauffeursdiensten. Het is in principe aan degene die zich op de Tolkenregeling beroept om aan te tonen of aannemelijk te maken dat hij of zij dergelijke werkzaamheden heeft verricht en daardoor op het moment van de beslissing om overbrenging persoonlijk gevaar loopt.<footnote-ref linkend="_49e5a9a9-c97c-4db0-b030-eac0256bb8e8" /> Aan de groepen die een beroep kunnen doen op de Tolkenregeling, worden dus eisen gesteld. Degenen die daarbuiten vallen wordt niets onthouden waar zij anders wel recht op zouden hebben.<footnote-ref linkend="_95a5668b-06c7-4781-947f-58912e94cbaa" /> Het beleid is dan ook niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. </para>
  <para />
  <paragroup>
    <nr>6.1.</nr>
    <para>Verweerder heeft onder verwijzing naar verschillende Kamerstukken uitgelegd dat er een onderscheid kan worden gemaakt tussen drie groepen die in beginsel onder het beschermingsbereik van de Tolkenregeling vallen.<footnote-ref linkend="_a72f7895-4e7d-4b0d-86d3-96a9a08f58c8" /></para>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <nr>6.2.</nr>
    <para>De eerste groep betreft lokale medewerkers, waaronder tolken, die direct voor een Nederlandse militaire missie werkzaamheden hebben verricht.<footnote-ref linkend="_b34ea7fb-be5c-40e5-83f3-97d60828f568" /> Daarbij is de juridische relatie met de militaire missie leidend, maar niet in alle gevallen bepalend. Zo zullen lokale medewerkers die zijn ingehuurd door een andere autoriteit zoals de NAVO, VN, of een ander land, maar primair voor de Nederlandse missie zijn ingezet, bij een verzoek voor bescherming in eerste instantie worden verwezen naar die autoriteit. Wanneer deze autoriteiten het beschermingsverzoek niet in behandeling hebben genomen, zal Nederland het verzoek beoordelen.</para>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <nr>6.3.</nr>
    <para>Onder de tweede groep vallen tolken die hebben gewerkt voor Nederland (lees: voor een Nederlandse missie) of een Nederlandse functionaris. Vaak hebben deze tolken persoonlijk voor Nederlandse militairen of Nederlandse politiefunctionarissen gewerkt, en werden zij meegenomen bij ontmoetingen/gesprekken met lokale overheidsfunctionarissen en/of Afghaanse legercommandanten of patrouilles. Hierdoor werden deze tolken extra zichtbaar en vereenzelvigd met de Nederlandse missie. Een tolk was bovendien vaak persoonlijk gekoppeld aan een Nederlandse functionaris en kon zo kennis krijgen van gevoelige informatie, wat een extra risico met zich kan brengen. Deze combinatie van factoren leidt tot de speciale positie die zij innemen: zij zijn extra kwetsbaar juist doordat zij heel zichtbaar voor Nederland hebben gewerkt. Bij een aanvraag van een tolk om naar Nederland overgebracht te worden, volstaat daarom om aan te tonen dat de persoon in kwestie als tolk voor Nederland of een Nederlandse functionaris heeft gewerkt.<footnote-ref linkend="_51e3d1ec-c299-47b8-b216-08b36b096f63" /></para>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <nr>6.4.</nr>
    <para>De derde groep ziet op andere lokale medewerkers die aannemelijk kunnen maken een substantiële periode voor een Nederlandse missie of functionaris te hebben gewerkt, als gevolg waarvan zij vandaag de dag persoonlijk risico lopen en bescherming nodig hebben.<footnote-ref linkend="_204d2625-10e7-4512-a87c-540cb38e2633" /> Voor deze groep ligt de bewijslast dus een stuk hoger dan voor de andere twee groepen. Daarbij is de aard van de verrichte werkzaamheden van belang. Deze moeten zodanig zijn dat de persoon in kwestie regelmatig actief door Nederlandse militairen of Nederlandse politiefunctionarissen in posities is gebracht waarin hij of zij extra zichtbaar was en vereenzelvigd werd met de Nederlandse missie. Hierbij kan worden gedacht aan genderspecialisten. Het kabinet heeft vanwege de veiligheidssituatie in Afghanistan destijds aangegeven deze aanvragen ruimhartig te bezien.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Kan eiser een geslaagd beroep doen op de Tolkenregeling</emphasis>?</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Eiser was niet direct in dienst van Nederland, maar van EUPOL. EUPOL Afghanistan is in juni 2007 gestart ter ondersteuning van de hervorming van het Afghaanse politieapparaat. Deze multinationale missie is in december 2016 beëindigd. EUPOL verrichtte geen politietaken, maar voerde mentor-, advies- en trainingsactiviteiten uit ten behoeve van de opbouw van de Afghaanse politie- en justitieketen. Aan deze, onder de vlag van de Europese Unie geleide missie, hebben 27 lidstaten een personele bijdrage geleverd. Nederland heeft in de periode van 2008 tot en met 2015 politiefunctionarissen voor deze missie beschikbaar gesteld. Eiser heeft dus niet gewerkt voor Nederland of een Nederlandse missie, maar voor een Europese politie (trainings)missie. Het is dan ook niet in geschil dat eiser niet valt onder de eerste groep van lokale medewerkers die een beroep kan doen op de Tolkenregeling. Aangezien eiser als timmerman heeft gewerkt en niet als tolk valt hij ook niet onder de tweede groep. Er bestaat discussie over de vraag of eiser als andere lokale medewerker voor overbrenging in aanmerking kan komen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <nr>7.1.</nr>
    <para>Verweerder heeft gemotiveerd betoogd dat eiser niet heeft aangetoond dat hij substantiële periode werkzaamheden heeft verricht voor een bepaalde Nederlandse functionaris van EUPOL. Als timmerman werkte hij ten behoeve van alle medewerkers van EUPOL en niet specifiek voor Nederland of een Nederlandse EUPOL-functionaris. Dat zijn werk ook ten goede is gekomen aan Nederlanders die bij EUPOL hebben gewerkt, is niet voldoende. Anders dan eiser betoogt, maakt de omstandigheid dat tien tot vijftien procent van de functionarissen op het hoofdkwartier van EUPOL uit Nederland kwam, niet dat hij deze werkzaamheden voor een bepaalde Nederlandse functionaris heeft verricht. Uit de door eiser overgelegde verklaringen volgt ook niet dat hij werkzaamheden heeft verricht voor deze voormalige functionarissen van EUPOL. Verweerder heeft daarom kunnen concluderen dat eiser niet samenwerkte met een Nederlandse functionaris van EUPOL als bedoeld in de Tolkenregeling. </para>
    <para />
  </paragroup>
  <paragroup>
    <nr>7.2.</nr>
    <para>Aangezien eiser niet voor een bepaalde Nederlandse functionaris van EUPOL heeft gewerkt, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake kan zijn van persoonlijk gevaar als gevolg hiervan.</para>
    <para />
    <para>8. Zoals hiervoor overwogen, gaat het bij de Tolkenregeling om buitenwettelijk begunstigend beleid.<footnote-ref linkend="_6960d89a-a170-4beb-920c-d12b6d346c2a" /> Bij het opstellen van zulk beleid heeft het kabinet veel beleidsruimte. Verweerder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de feiten die eiser aan zijn overbrengingsverzoek ten grondslag heeft gelegd en heeft niet slechts volstaan met een verwijzing naar dit beleid. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel of een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is de rechtbank niet gebleken. </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">Conclusie en gevolgen</emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>9. Het beroep wegens het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek van eiser is niet-ontvankelijk, omdat eiser geen procesbelang meer heeft bij dit beroep. </para>
    <para />
    <para>10. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. </para>
    <para />
    <para>11. Omdat eiser terecht een beroep wegens niet tijdig beslissen heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten voor dit beroep. De rechtbank stelt de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 0,5 (licht)). De rechtbank is van oordeel dat deze zaak over het niet tijdig nemen van een besluit van licht gewicht is, omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden. Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om overbrenging niet-ontvankelijk;</para>
    <para>- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 29 april 2024 ongegrond;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.K.S. Mollen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
  </paragroup>
  <footnote id="_85db1c81-76de-4f0b-95a6-cc5eb2df605e" label="1">
    <para> Deze mogelijkheid is gegeven in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2684. Verweerder heeft ingestemd met rechtstreeks beroep.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f099335c-4f0e-471a-9356-720373184248" label="2">
    <para> Werkafspraken tolken, te vinden via: https://open.overheid.nl/documenten/05768c10-ed82-4ece-80b5-def86652392b/file.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b6edf319-14f5-49a1-bfa7-4c0fde355f27" label="3">
    <para> In de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Zie hiervoor de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b0ef9be-dacf-4435-8b7b-e0c228880414" label="4">
    <para> De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de speciale voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a5e00b3b-5216-430c-a472-b0dac0f0fb45" label="5">
    <para> Werkafspraken tolken, te vinden via: https://open.overheid.nl/documenten/05768c10-ed82-4ece-80b5-def86652392b/file.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_49e5a9a9-c97c-4db0-b030-eac0256bb8e8" label="6">
    <para> Zie bijvoorbeeld het antwoord bij vraag 11, van Kamerstukken II, 2014/15. 34000-X, nr. 10.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_95a5668b-06c7-4781-947f-58912e94cbaa" label="7">
    <para> De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de speciale voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a72f7895-4e7d-4b0d-86d3-96a9a08f58c8" label="8">
    <para> Zie de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag van 27 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5226.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b34ea7fb-be5c-40e5-83f3-97d60828f568" label="9">
    <para> Zie de antwoorden op vraag 4 en 5, van Kamerstukken <emphasis role="italic">II,</emphasis> 2018/19, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3278.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51e3d1ec-c299-47b8-b216-08b36b096f63" label="10">
    <para> Zie het antwoord op vraag 11, van Kamerstukken II, 2020/21, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3805.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_204d2625-10e7-4512-a87c-540cb38e2633" label="11">
    <para> Zie het antwoord op vraag 11, van Kamerstukken II, 2020/21, Aanhangsel van de Handelingen, nr. 3805.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6960d89a-a170-4beb-920c-d12b6d346c2a" label="12">
    <para> De rechtbank sluit aan bij het oordeel van de Afdeling over de speciale voorziening die is getroffen in de Kamerbrief van 11 oktober 2021, in haar uitspraak van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:718.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>