<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:14712</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-20T09:43:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-01-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">23/5133</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14712">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:14712</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-20T09:43:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-08-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:14712 Rechtbank Den Haag , 24-01-2025 / 23/5133</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:14712:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op het Wpg-verzoek van eiser in strijd is met het motiveringsbeginsel en daarmee voor vernietiging in aanmerking komt. Beroep gegrond. Rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen in stand worden gelaten onder aanvulling van de motivering in het verweerschrift.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:14712:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 23/5133 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 januari 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de korpschef van de politie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.W.M.P. Dijkers).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op zijn verzoek op grond van de Wet politiegegevens (Wpg).</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft met het besluit van 15 juni 2023 op dit verzoek beslist en eiser informatie verstrekt. Verweerder heeft dit besluit op 21 juni 2023 vanwege feitelijke onjuistheden herzien en een nieuwe beslissing op het verzoek van eiser genomen (het bestreden besluit). </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 5 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst nadat verweerder de mogelijkheid had geboden om onderliggende stukken alsnog met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de rechtbank te verstrekken. Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven voor beperkte kennisname hiervan. Verweerder heeft de betreffende stukken op 17 april 2024 naar de rechtbank verstuurd. De rechtbank heeft hiervan vervolgens kennisgenomen. Eiser heeft op 17 april 2024 nog een nadere reactie gestuurd. Nadat partijen hebben aangegeven geen nadere zitting nodig te vinden, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft op 4 mei 2023 een Wpg-verzoek ingediend. Hierin heeft hij verzocht om inzage in de gegevens die verkeersagenten over hem kunnen inzien en wie deze gegevens over het afgelopen en dit jaar heeft opgevraagd. Ook wil eiser de mutaties inzien en weten of die te raadplegen zijn voor alle agenten en wie deze informatie het afgelopen en dit jaar heeft opgevraagd. <footnote-ref linkend="_8c8547de-0ae0-43f2-87df-1e3096501cab" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat zijn de regels?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat heeft verweerder besloten?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft aan eiser een overzicht verstrekt van de registraties en meldingen waarin informatie over eiser is verwerkt. Verweerder heeft de namen van politiemedewerkers en van derden en overige informatie die herleidbaar is of kan zijn naar derden geweigerd te verstrekken omdat dit noodzakelijk en evenredig is ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden.<footnote-ref linkend="_52ed6bbb-9435-457f-b7fc-a1bfbb44ed20" /> Verweerder heeft in het bestreden besluit toegelicht dat politiemedewerkers niet kunnen worden aangemerkt als ‘ontvangers’ in de zin van artikel 25, eerste lid en onder c, van de Wpg. De Wpg kent een systeem van ‘free flow of information’ waarbij politiegegevens vormvrij worden uitgewisseld tussen politiemedewerkers. Politiemedewerkers mogen echter alleen kennisnemen van die politiegegevens waarvoor zij bevoegd zijn en voor zover zij die nodig hebben voor de uitvoering van hun taken. Hoewel de kennisneming van politiegegevens automatisch wordt vastgelegd/ gelogd, heeft dit slechts tot doel interne controles mogelijk te maken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser betoogt dat verweerder ten onrechte niet heeft voldaan aan zijn verplichting op grond van de Wpg om de informatie te verstrekken wie de ontvangers of categorieën van ontvangers zijn aan wie de informatie is verstrekt. In dit geval dus de politiemedewerkers die zijn gegevens hebben opgevraagd. Het is eiser bekend dat het X-POL-systeem van de politie iedere politiemedewerker vrij toegang geeft tot alle gegevens over burgers. Hierop vindt geen effectieve controle plaats, wat misbruik in de hand werkt. Gelet daarop is het van belang dat achteraf kan worden vastgesteld wie welke gegevens heeft geraadpleegd. </para>
    <parablock>
      <para>Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder ten onrechte de bewaartermijnen van deze gegevens<footnote-ref linkend="_a36de3a8-ebe1-4558-9553-94c40505f5be" /> niet heeft vermeld en dat in het besluit niet duidelijk wordt of de gegevens op feiten of persoonlijke oordelen zijn gebaseerd.<footnote-ref linkend="_52fda59a-0586-40b9-9d6d-9565a2713e7c" /></para>
      <para>Verder is over een aantal registraties in het overzicht geen enkele informatie verstrekt. Op de zitting heeft eiser aangegeven dat hij vermoedt dat in ieder geval één van deze registraties een aangifte betreft. Een aangifte is het startpunt van een strafproces en had daarom door verweerder moeten worden verstrekt. Bovendien heeft verweerder aan de weigering deze informatie aan eiser te verstrekken geen belangenafweging ten grondslag gelegd. Verweerder had eiser moeten horen in verband met deze belangenafweging.<footnote-ref linkend="_09f428cb-cd15-4b0d-86ad-e51700a0c94a" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat de beslissing op het Wpg-verzoek van eiser in strijd is met het motiveringsbeginsel en daarmee voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep is daarmee gegrond. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank legt hierna aan de hand van de beroepsgronden van eiser uit hoe zij tot dit oordeel komt.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft terecht besloten om de namen van de politiemedewerkers niet aan eiser te verstrekken. Met de uitspraak van 10 april 2019<footnote-ref linkend="_d8b9f6bb-4bd3-42eb-b847-29b093993bdb" /> heeft de Afdeling bepaald dat gegevens over verbalisanten niet kunnen worden aangemerkt als op de verzoeker betrekking hebbende politiegegevens en daarom niet onder het bereik van artikel 25, eerste lid, van de Wpg vallen. Voor zover eiser heeft verzocht om verstrekking van de namen van de politiemedewerkers die zijn gegevens hebben ingezien, heeft verweerder terecht gesteld dat deze gegevens niet onder het recht op inzage vallen. Volgens eiser is vastgelegd welke politiemedewerkers zijn gegevens hebben opgevraagd en hij vindt dat er een controle moet kunnen plaatsvinden om misbruik te voorkomen. Dit laat echter onverlet dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen recht heeft op inzage in deze gegevens. De bepaling waar eiser een beroep op doet ziet op de verstrekking van gegevens aan externe natuurlijke personen of organisaties. Hier gaat het echter niet om het verstrekken van gegevens, maar het inzien van de gegevens van de eigen organisatie door de eigen medewerkers<footnote-ref linkend="_6d3bb2c3-6a57-4774-8467-6a26984f5ca3" />. Met het betoog op zitting dat het eiser niet zozeer gaat om de namen van de politiemedewerkers, als wel om de hoedanigheid van de ambtenaren die zijn gegevens hebben geraadpleegd, miskent eiser dat hij in zijn verzoek expliciet heeft gevraagd naar wie zijn gegevens hebben opgevraagd. Daaruit mocht verweerder afleiden dat het hem te doen was om de namen van de politiemedewerkers. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>  Het betoog van eiser dat verweerder ten onrechte in het verstrekte overzicht van registraties en meldingen niet heeft vermeld wat de bewaartermijnen zijn<footnote-ref linkend="_e36c9238-fa3f-4909-ad5c-b2cce57372fa" /> en of de gegevens zijn gebaseerd op een persoonlijk oordeel of feiten<footnote-ref linkend="_df1af363-bca5-44ab-b50c-9c631f2fb8f9" />, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft het verstrekken van informatie over bewaartermijnen ingevuld door het plaatsen van een privacy statement op de website van de politie.<footnote-ref linkend="_e1534f68-fc91-4cbf-9e4a-16104abe7ee8" /> Deze verstrekking van informatie is niet hetzelfde als het recht op inzage van eiser. Dat de bewaartermijn niet is opgenomen in het besluit op het verzoek om inzage, betekent dan ook niet dat het besluit over het verzoek om inzage daarmee onrechtmatig is. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 4, derde lid, van de Wpg een aanwijzing aan de verwerkingsverantwoordelijke betreft en eiser daaraan geen rechten kan ontlenen in het kader van een verzoek om inzage in zijn eigen persoonsgegevens.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>Zoals de Afdeling heeft overwogen moet aan een weigering tot inzage op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder a tot en met f, van de Wpg een belangenafweging ten grondslag liggen.<footnote-ref linkend="_0e82ce30-926f-406b-8b9d-3c0e945329f1" /> In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat de namen van politiemedewerkers en van derden en overige informatie die herleidbaar is of kan zijn naar derden niet zijn verstrekt, omdat dit noodzakelijk en evenredig is ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. Net als eiser vindt de rechtbank dat deze motivering van verweerder tekortschiet. Verweerder heeft hiermee namelijk onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de weigering om die betreffende informatie te verstrekken noodzakelijk en evenredig is ter bescherming van de rechten en vrijheden van derden. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd.<footnote-ref linkend="_38270972-ae88-4ae6-b3a8-fcc4081ed3fd" /> Het besluit moet dan ook worden vernietigd. De rechtbank zal onderzoeken of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>In het verweerschrift heeft verweerder een nadere toelichting gegeven. Verweerder heeft toegelicht dat een aangifte of melding veelal wordt gedaan om advies te krijgen van de politiemedewerker of om een hulpvraag bij de politie neer te leggen. Door een melder of aangever wordt iets medegedeeld of verklaard in de wetenschap dat deze verklaring of melding in volledige vrijheid kan worden gedaan, zonder te moeten leven met de vrees dat alles wat de melder verklaart of mededeelt, door een verzoek tot kennisneming door een andere partij, betrokken bij het incident of geschil, ter kennis kan komen. Na kennis te hebben genomen van de geheime stukken is de rechtbank gebleken dat het inderdaad om gevoelige informatie gaat waarvan redelijkerwijs kan worden gesteld dat het verstrekken van deze informatie aan eiser de rechten en vrijheden van derden kan schaden. Hiermee heeft verweerder alsnog voldoende gemotiveerd dat het noodzakelijk en evenredig is om het verzoek tot inzage voor deze stukken af te wijzen. Het betoog van eiser op de zitting dat een aangifte het startpunt is van een strafproces en de betreffende informatie hierin daarom door verweerder niet mag worden geweigerd of geanonimiseerd, slaagt niet. Dat stukken in het kader van een eventueel strafproces wellicht worden verstrekt, betekent niet dat daarom niet meer op grond van artikel 27 van de Wpg inzage in deze stukken kan worden geweigerd. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>Eiser heeft verder terecht aangedragen dat hij niet is gehoord over zijn belangen zodat de rechtbank moet afwegen of het horen van eiser nog kan bijdragen aan de door verweerder in het verweerschrift opgenomen belangenafweging. Eiser heeft in zijn beroepsgronden zelf gewezen op het horen in het kader van de belangenafweging en hij heeft op de zitting bij de rechtbank op het verweerschrift kunnen reageren. Van bijzondere belangen van eiser is niet gebleken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat een hoorzitting nog kan bijdragen aan de reeds verrichte belangenafweging en zal verweerder daartoe dan ook niet meer opdragen. De rechtgevolgen van het bestreden besluit kunnen dan ook in stand blijven. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met het motiveringsbeginsel. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft verder geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;</para>
    <para>- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 184,- te betalen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. R.J.P. Lindhout, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>24 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_8c8547de-0ae0-43f2-87df-1e3096501cab" label="1">
    <para> Op grond van artikel 25 van de Wpg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_52ed6bbb-9435-457f-b7fc-a1bfbb44ed20" label="2">
    <para> Op grond van artikel 27, eerste lid en onder d, van de Wpg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a36de3a8-ebe1-4558-9553-94c40505f5be" label="3">
    <para> Op grond van artikel 24b, tweede lid en onder b, van de Wpg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_52fda59a-0586-40b9-9d6d-9565a2713e7c" label="4">
    <para> Op grond van artikel 4, derde lid, van de Wpg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_09f428cb-cd15-4b0d-86ad-e51700a0c94a" label="5">
    <para> Eiser wijst in dat kader op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1735.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8b9f6bb-4bd3-42eb-b847-29b093993bdb" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2019:1109.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6d3bb2c3-6a57-4774-8467-6a26984f5ca3" label="7">
    <para> Zie ook de uitspraak van deze rechtbank van 19 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:3697.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e36c9238-fa3f-4909-ad5c-b2cce57372fa" label="8">
    <para> Artikel 24b, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wpg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df1af363-bca5-44ab-b50c-9c631f2fb8f9" label="9">
    <para> Artikel 4, derde lid, van de Wpg.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1534f68-fc91-4cbf-9e4a-16104abe7ee8" label="10">
    <para> Zie ook Kamerstukken II 2017-18, 34 889, nr. 3, p. 77.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0e82ce30-926f-406b-8b9d-3c0e945329f1" label="11">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3139 en de onder voetnoot 5 genoemde uitspraak van de Afdeling.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_38270972-ae88-4ae6-b3a8-fcc4081ed3fd" label="12">
    <para> Op grond van artikel 3:46 van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>