<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:13686</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-25T12:09:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.4071</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13686">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13686</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-25T12:08:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:13686 Rechtbank Den Haag , 25-07-2025 / NL25.4071</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13686:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep niet tijdig, regulier</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13686:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.4071</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam], eiseres, </title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J. Hemelaar), </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mede namens haar minderjarige kinderen: </para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam],</title>
    <para>V-nummer: [nummer],</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam],</title>
    <para>V-nummer: [nummer],</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam],</title>
    <para>V-nummer: [nummer],</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister, </title>
    <para>(gemachtigde: mr. A.J. Rossingh). </para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingediend om dat de minister volgens haar niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 28 maart 2024 tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft dit beroep op zitting behandeld op 27 maart 2025. Hieraan hebben deelgenomen: mr. E. Wösten als waarnemer van de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft op 27 maart 2025 het onderzoek geschorst in afwachting van een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats met betrekking tot het bepalen van een nieuwe beslistermijn bij nareisaanvragen, zoals deze. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 18 juli 2025 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 juli 2025<footnote-ref linkend="_d86a36ee-1c79-46e1-aaa7-5214c0191dcc" />, waarin is geoordeeld dat bij het bepalen van de beslistermijn bij nareisaanvragen aangesloten zal worden bij het ‘Arnhemse sporenmodel’, overeenkomstig de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_49bc05d5-8b66-4459-aac6-51b3b877f7a0" /> van 21 mei 2025.<footnote-ref linkend="_657f2458-a55d-41f0-ba92-e8bb078e5799" /> Na ontvangst van de reacties van partijen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Standpunten van partijen ten aanzien van de beslistermijn </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiseres heeft in de aanvullende gronden van 22 juli 2025 aangegeven zich te kunnen vinden in de lijn die de Afdeling en de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats hanteren voor het bepalen van een nadere beslistermijn bij nareisaanvragen, namelijk het ‘Arnhemse sporenmodel’. Echter, eiseres wijst in haar nadere gronden op enkele uitspraken<footnote-ref linkend="_8d060651-2524-40cd-9527-050afd77a2ad" /> van deze rechtbank, waaruit blijkt dat ook een kortere beslistermijn van vier weken kan worden opgelegd als er al een voortraject is geweest. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Eiseres is van mening dat in haar zaak eveneens een reden bestaat om een beslistermijn van vier weken op te leggen. Eiseres legt hieraan het volgende ten grondslag. Ten eerste heeft deze procedure lange tijd geduurd. De minister is vanaf het moment van het indienen van het beroep op 28 januari 2025 al op de hoogte van de noodzaak en urgentie om op de aanvraag van eiseres te beslissen, wat tijdens de zitting van 27 maart 2025 nogmaals is benadrukt. Ten tweede had de minister vanaf het moment van de uitspraak van de Afdeling op 21 mei 2025 al rekening kunnen houden met het feit dat het ‘Arnhemse sporenmodel’ naar alle waarschijnlijkheid als uitgangspunt zou worden genomen voor het bepalen van een nieuwe beslistermijn. Echter, de minister heeft toen geen actie ondernomen in deze zaak. Gelet op dit voortraject en het tijdsverloop tussen de zitting van 27 maart 2025 en de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 juli 2025, verzoekt eiseres de rechtbank een beslistermijn te bepalen van maximaal vier weken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>3. De minister heeft op 23 juli 2025 haar reactie op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 juli 2025 gegeven. De minister geeft aan de aanvraag van eiseres inmiddels in behandeling te hebben genomen. Op 28 april 2025 is een herstelverzuimbrief verzonden en op 15 mei 2025 heeft de minister stukken van eiseres ontvangen. Met de brief van 15 juli 2025 heeft de minister eiseres medegedeeld een DNA-onderzoek te willen opstarten. De minister acht daarom een beslistermijn van vier weken zoals eiseres verzoekt, niet redelijk. Een beslistermijn van zestien weken volgens het ‘Arnhemse sporenmodel’ waarbij in zowel de uitspraak van de Afdeling als de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats aansluiting wordt gezocht, acht de minister in dit geval wel redelijk. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank </title>
    <para />
    <para>4. Niet in geschil is dat de beslistermijn is verstreken<footnote-ref linkend="_046631d8-3302-4ef7-8670-87ba55062560" />, de minister door eiseres rechtsgeldig in gebreke is gesteld en dat sindsdien twee weken zijn verstreken.<footnote-ref linkend="_8bf56531-6a8b-41ab-b3fd-132d50ec58f1" /> Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom ontvankelijk en gegrond. </para>
    <para />
    <para>5. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft in de uitspraak van 17 maart 2023<footnote-ref linkend="_c78b1d5c-c628-4278-874e-0063f44334df" /> geoordeeld dat bij de overschrijding van de beslistermijn bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning sprake is van een bijzonder geval<footnote-ref linkend="_6ecc394e-9f40-4834-b47f-1351a573b7b4" />, en hier rekening mee dient te worden gehouden bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn. De Afdeling<footnote-ref linkend="_7674453d-ede0-45ce-a23d-b28be64b229a" /> heeft geoordeeld dat de beslistermijnen die de rechtbank in de uitspraak van 17 maart 2023 aan de verschillende fasen in de besluitvorming verbindt redelijk is.<footnote-ref linkend="_7f9f511c-42cc-4b7b-82ab-90300109e435" /> Dit oordeel heeft de Afdeling in de uitspraak van 21 mei 2025<footnote-ref linkend="_30dd0fb1-c74c-418f-9b3e-8ea75af80802" /> bevestigd. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats sluit hier in haar uitspraken van </para>
    <para>9 juli 2025<footnote-ref linkend="_866020c3-3b0b-4875-8f57-9aed15b02e9b" /> bij aan. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat het dossier nog niet compleet is, omdat de minister met de brief van 15 juli 2025 heeft besloten tot nader onderzoek in de vorm van een DNA-onderzoek. Dit onderzoek moet nog beginnen. De minister heeft in haar brief van </para>
        <para>23 juli 2025 aangegeven dat het IOM<footnote-ref linkend="_74599020-66b8-43cb-a62f-f1d4fff56289" /> het DNA-onderzoek uit zal voeren en binnen vier weken na 15 juli 2025 contact op zal nemen om hiervoor een afspraak te maken. Het IOM heeft in beginsel drie maanden de tijd om het DNA-onderzoek af te ronden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Eiseres heeft in haar aanvullende gronden, zoals in overweging 2.1 opgenomen, verzocht om een beslistermijn van vier weken en daarbij verwezen naar een aantal uitspraken van deze rechtbank. De rechtbank merkt op dat de uitspraken waaraan eiseres ter onderbouwing refereert, tweede beroepen tegen het niet tijdig beslissen betreffen. Dit zijn andere situaties dan waar het in deze zaak om gaat. Omdat de minister in deze zaak duidelijk heeft aangegeven wat de stand van zaken is, ziet de rechtbank geen aanleiding om een andere beslistermijn dan zestien weken op te leggen. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen zestien weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak.</para>
      <para />
      <para>6. Eiseres heeft gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvraag neemt, hij een dwangsom van </para>
      <para>€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.<footnote-ref linkend="_6e38d9f2-99ac-4761-bbce-6f320a0e2cbf" /></para>
      <para />
      <para>7. Eiseres heeft gevraagd de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. Als de minister niet binnen twee weken na de ingebrekestelling alsnog een besluit neemt, moet de minister een bestuurlijke dwangsom aan eiser betalen. Omdat vanaf dat moment meer dan 42 dagen zijn verstreken, stelt de rechtbank de dwangsom vast op € 1.442,-.<footnote-ref linkend="_3855ca80-ed32-430d-860a-350864a4275d" /> Dat is het maximale bedrag.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <para>8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt en de minister binnen <?linebreak?>zestien weken een besluit moet nemen op de aanvraag<emphasis role="italic">. </emphasis>Doet de minister dat niet, dan is hij aan eiseres een dwangsom verschuldigd. De minister moet ook de maximale bestuurlijke dwangsom aan eiseres betalen.  </para>
    <para />
    <para>9. De minister moet de door eiseres gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 2.267,50.<footnote-ref linkend="_c8c144e3-36a7-4d16-9bc3-db0daad9a34b" /> De minister moet ook het betaalde griffierecht aan eiseres vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op binnen zestien weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken; </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stelt de hoogte van de door de minister aan eiseres verschuldigde dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb vast op € 1.442,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van <?linebreak?>€ 2.267,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_d86a36ee-1c79-46e1-aaa7-5214c0191dcc" label="1">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:12613 en ECLI:NL:RBDHA:2025:12615. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_49bc05d5-8b66-4459-aac6-51b3b877f7a0" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_657f2458-a55d-41f0-ba92-e8bb078e5799" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:2337. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d060651-2524-40cd-9527-050afd77a2ad" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:13222, ECLI:NL:RBDHA:2025:13211, ECLI:NL:RBDHA:2025:13085 en ECLI:NL:RBDHA:2025:13084. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_046631d8-3302-4ef7-8670-87ba55062560" label="5">
    <para> Artikel 2u van de Vreemdelingenwet (Vw). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8bf56531-6a8b-41ab-b3fd-132d50ec58f1" label="6">
    <para> Artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c78b1d5c-c628-4278-874e-0063f44334df" label="7">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ecc394e-9f40-4834-b47f-1351a573b7b4" label="8">
    <para> Als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7674453d-ede0-45ce-a23d-b28be64b229a" label="9">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f9f511c-42cc-4b7b-82ab-90300109e435" label="10">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:2643. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_30dd0fb1-c74c-418f-9b3e-8ea75af80802" label="11">
    <para> ECLI:NL:RVS:2025:2337. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_866020c3-3b0b-4875-8f57-9aed15b02e9b" label="12">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:12613 en ECLI:NL:RBDHA:2025:12615. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_74599020-66b8-43cb-a62f-f1d4fff56289" label="13">
    <para> Internationale Organisatie voor Migratie. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_6e38d9f2-99ac-4761-bbce-6f320a0e2cbf" label="14">
    <para> Artikel 8:55d. tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3855ca80-ed32-430d-860a-350864a4275d" label="15">
    <para> Artikel 4:17 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c8c144e3-36a7-4d16-9bc3-db0daad9a34b" label="16">
    <para> Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor de zitting en een halve punt voor de nadere reactie, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>