<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:13684</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-25T11:49:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.29457</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13684">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13684</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-25T11:49:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:13684 Rechtbank Den Haag , 14-07-2025 / NL25.29457</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13684:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, vervolgberoep, zicht op uitzetting, lichter middel, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13684:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.29457</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie,</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het voortduren van de aan hem opgelegde maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en het verzoek om schadevergoeding. Deze maatregel is opgelegd op 10 januari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. De oplegging van de maatregel van bewaring is getoetst bij de uitspraak van 28 januari 2025.<footnote-ref linkend="_44f52dd1-38a5-436a-8dae-de71ac2a08ec" /> Het voortduren van de maatregel van bewaring is getoetst bij de uitspraak van 21 februari 2025<footnote-ref linkend="_c65083be-b722-46bc-b244-4ec0f5b04ed5" />, bij de uitspraak van 13 maart 2025<footnote-ref linkend="_7c96ce7b-02c1-44cd-8beb-e27a8ac56a8b" /> en bij de uitspraak van 3 april 2025<footnote-ref linkend="_1f693b01-6b20-4e88-846c-54ddeec2c9b2" />. Het vorige vervolgberoep is bij uitspraak van 27 mei 2025 beoordeeld.<footnote-ref linkend="_3ef41e3e-0ff2-4ad4-883d-0f03278ab2e8" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. De minister heeft op 25 juni 2025 de maatregel van bewaring opgeheven naar aanleiding van een belangenafweging. Eiser heeft hierop gereageerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het vooronderzoek op 10 juli 2025 gesloten en bepaald dat de zaak niet op zitting wordt behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Toetsingskader</emphasis>
      </para>
      <para>1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.<footnote-ref linkend="_dd079e81-e761-409b-9558-7319cf9579bb" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Uit de uitspraak van 27 mei 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 20 mei 2025) rechtmatig is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Ontbreekt het zicht op uitzetting?</emphasis>
        </para>
        <para>2. Eiser betoogt dat het duidelijk was dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn vanaf het begin van de inbewaringstelling ontbrak. Hiermee is onzorgvuldig gehandeld. Gedurende de inbewaringstelling is namelijk geen enkele presentatie in persoon aan Algerije gerealiseerd, terwijl er zonder presentatie geen laissez-passer wordt gegeven. Dit is voor de minister ook reden geweest om de bewaring op te heffen. Het ontbreken van een reëel zicht op uitzetting bij een maatregel is een schending van artikel 5 EVRM. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank merkt op dat deze grond eerder is aangevoerd in de beroepen die hebben geleid tot de uitspraken van 13 maart 2025, 3 april 2025 en 27 mei 2025. De rechtbank heeft in die uitspraken geconcludeerd dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting naar Algerije.<footnote-ref linkend="_20a09a7c-492f-4b53-85af-877755b0bcc7" /> Het tijdsverloop is sinds de uitspraak van 27 mei 2025 niet zodanig dat de rechtbank daarin aanleiding ziet om op dit moment anders over de beroepsgrond te oordelen. Dat er geen presentatie in persoon is gerealiseerd doet niet af aan het oordeel. De minister mag namelijk enige tijd gegund worden om de juiste stappen te ondernemen en keuzes te maken om een uitzetting te bewerkstelligen. De minister is immers afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten om een presentatie in persoon te plannen. Dat de minister na bijna zes maanden heeft besloten om de bewaring op te heffen omdat er geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden, dan wel een vaststelling van de identiteit en nationaliteit van eiser leidt niet tot een ander oordeel. Immers hieruit blijkt, anders dan eiser stelt, niet dat het vanaf het begin van de maatregel van bewaring dan wel vanaf het moment sluiten onderzoek in het eerdere beroep, 20 mei 2024, het zicht op uitzetting ontbrak. Daar komt bij dat de minister in zijn belangenafweging ook laat meewegen dat eiser, ondanks herhaaldelijk hierop te zijn gewezen, niet meewerkt aan het realiseren van terugkeer. Aangezien zicht op uitzetting niet uitgesloten kon worden gedurende de inbewaringstelling van eiser heeft de minister niet onzorgvuldig of in strijd met artikel 5 EVRM gehandeld. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Had de minister een lichter middel moeten opleggen?</emphasis>
        </para>
        <para>3. Eiser voert aan dat de minister een lichter middel had moeten opleggen. De minister heeft namelijk geen alternatieven maatregelen toegepast. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd volgt er in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Dit is in eerdere uitspraken ook geoordeeld. De niet onderbouwde stelling van eiser dat een meldplicht passender zou zijn, doet niet af aan het onttrekkingsrisico. Het risico bij het opleggen van een lichter middel was namelijk nog steeds te groot. Dat de maatregel enkel diende om druk uit te oefenen op eiser wordt niet gevolgd. Zoals blijkt uit de voortgangsrapportage heeft de minister gedurende de inbewaringstelling uitzettingshandelingen verricht om uitzetting te bewerkstelligen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?</emphasis>
        </para>
        <para>4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.<footnote-ref linkend="_a2552eba-8aaf-4348-ab28-8c2133a5693e" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_44f52dd1-38a5-436a-8dae-de71ac2a08ec" label="1">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 28 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:1068.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c65083be-b722-46bc-b244-4ec0f5b04ed5" label="2">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 21 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2788.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c96ce7b-02c1-44cd-8beb-e27a8ac56a8b" label="3">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 13 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3946.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f693b01-6b20-4e88-846c-54ddeec2c9b2" label="4">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 3 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5591. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ef41e3e-0ff2-4ad4-883d-0f03278ab2e8" label="5">
    <para> Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 27 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9445. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_dd079e81-e761-409b-9558-7319cf9579bb" label="6">
    <para> Op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_20a09a7c-492f-4b53-85af-877755b0bcc7" label="7">
    <para> ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a2552eba-8aaf-4348-ab28-8c2133a5693e" label="8">
    <para> Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>