<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:13523</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T11:21:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">25.18370</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13523">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13523</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-24T11:21:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:13523 Rechtbank Den Haag , 24-07-2025 / 25.18370</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13523:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin BZ, Duitsland, zienswijze, verantwoordelijke lidstaat, IVB, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13523:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.18370 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam], eiser,</title>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum],</para>
      <para>van Marokkaanse nationaliteit,</para>
      <para>V-nummer: [nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. W. Spijkstra),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 18 april 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_d1c44158-cfc8-4cdf-9d20-fa41ae052f8e" /> In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 25 maart 2025 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 27 maart 2025 aanvaard.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Zienswijze</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser verzoekt de rechtbank hetgeen is aangevoegd in de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank kan uit dit verzoek niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Verantwoordelijk land</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie van 12 januari 2023, C325/21, waarin meerdere lidstaten mogelijk verantwoordelijk waren voor de aanvraag. Eiser meent dat er in dit geval drie mogelijk verantwoordelijke landen zijn, te weten Duitsland, Zwitserland en Nederland. De minister zou hierover volgens eiser meer informatie moeten opvragen bij de andere twee lidstaten.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de minister zich mag baseren op het door Duitsland geaccepteerde claimverzoek. Uit het dossier blijkt niet dat de asielaanvraag in Zwitserland tot een inhoudelijke behandeling heeft geleid en eiser heeft zelf geen concrete aanwijzingen overgelegd die duiden op de verantwoordelijkheid van een andere lidstaat dan Duitsland. Daarom rustte op de minister geen verplichting tot nader onderzoek naar de verantwoordelijkheid. De enkele stelling dat eerst onderzoek had moeten worden gedaan naar de asielaanvraag in Zwitserland, vormt onvoldoende grond daarvoor.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>7. Eiser stelt dat de minister ten aanzien van Duitsland ten onrechte uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij verwijst eiser naar het arrest N.S. van het Hof van Justitie en het AIDA-rapport van 8 april 2022. Duitsland is overbelast door onder andere Oekraïense vluchtelingen, waardoor de Duitse asielzoekerscentra overvol zijn en de omstandigheden slecht. Ook hebben vluchtelingen in Duitsland vaker te maken met racisme en daarmee samenhangend geweld. Hiervoor verwijst eiser naar een artikel op de website van Mediendienst Integration.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>De rechtbank overweegt dat de autoriteiten van Duitsland met het claimakkoord in beginsel verantwoordelijk zijn voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van eiser. Dit is slechts anders als moet worden gevreesd dat de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor verzoekers in Duitsland systeemfouten bevatten die resulteren in onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het Handvest dan wel artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_acb404dd-6811-42eb-a0e7-4a70b37f94e3" />, waarbij een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid geldt.<footnote-ref linkend="_6dc9fe68-4165-4487-a63b-ed41f4978511" /> Verder heeft de Afdeling<footnote-ref linkend="_0c563a8a-d8ba-46ee-a194-afdbec917bb7" /> in de uitspraken van 4 september 2024<footnote-ref linkend="_6899e7c5-b6c1-4eef-aac5-448e1ae3c6d5" /> geoordeeld dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om het vermoeden dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan te weerleggen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat volgens rechtspraak van de Afdeling nog altijd kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland.<footnote-ref linkend="_51cf8cbe-5891-4485-a23c-04bba3a7d7b5" /> De Afdeling heeft bovendien geoordeeld dat daarbij het uitgangspunt is dat de aangezochte lidstaat in de eerste plaats het verbod op refoulement naleeft, en in de tweede plaats dat een vreemdeling in die lidstaat ook toegang heeft tot effectieve rechtsmiddelen om een negatieve beschikking op een asielbesluit en een daaraan verbonden terugkeerbesluit aan te vechten en zo een eventueel risico op refoulement dus aan rechterlijke toetsing te onderwerpen.<footnote-ref linkend="_3d75ff25-0106-4ada-ba24-719080e03f7d" /> Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat voor Duitsland mag worden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn internationale verplichtingen tegenover hem niet nakomt. Uit eisers betoog en uit de door hem overgelegde stukken blijkt niet dat asielzoekers of Dublinclaimanten in Duitsland worden behandeld of uitgezet in strijd met internationale verplichtingen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3.</nr>
      <para>Ten aanzien van eisers stellingen over toenemend racisme en discriminatie ten aanzien van asielzoekers in Duitsland overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hiermee te maken zal krijgen als hij terugkeert naar Duitsland. Als eiser deze problemen wel ervaart in Duitsland, is het aan hem om hierover te klagen bij de Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten eiser niet kunnen of willen helpen.</para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over verzet</emphasis>
      </para>
      <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_d1c44158-cfc8-4cdf-9d20-fa41ae052f8e" label="1">
    <para>Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_acb404dd-6811-42eb-a0e7-4a70b37f94e3" label="2">
    <para> Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6dc9fe68-4165-4487-a63b-ed41f4978511" label="3">
    <para> Dit volgt uit het Jawo-arrest van het Hof van 19 maart 2019 in de zaak Abubacarr Jawo tegen Duitsland (ECLI:EU:C:2019:218, het arrest Jawo).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0c563a8a-d8ba-46ee-a194-afdbec917bb7" label="4">
    <para> De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6899e7c5-b6c1-4eef-aac5-448e1ae3c6d5" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:3455 en ECLI:NL:RVS:2024:3456.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51cf8cbe-5891-4485-a23c-04bba3a7d7b5" label="6">
    <para>Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3d75ff25-0106-4ada-ba24-719080e03f7d" label="7">
    <para> ECLI:NL:RVS:2024:2359.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>