<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:13471</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-23T16:30:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.29683</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13471">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13471</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-23T16:28:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:13471 Rechtbank Den Haag , 23-07-2025 / NL25.29683</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13471:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13471:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Groningen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.29683</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiseres, </bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum], </para>
      <para>van Nigeriaanse nationaliteit, </para>
      <para>V-nummer: [v-nummer], </para>
      <para>(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, de minister, </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Bij besluit van 7 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw <footnote-ref linkend="_f3f3dbe9-7e97-4f90-9ba7-d6420742b760" />opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De minister heeft de rechtbank, op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw, van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 18 juli 2025 op zitting behandeld. Het detentiecentrum in Zeist heeft laten weten dat eiseres niet naar de telehoorruimte wil komen. In het digitale dossier is vervolgens een door eiseres ondertekende afstandsverklaring geüpload. De gemachtigde van eiseres is verschenen op de rechtbank in Groningen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.	In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiseres:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>(<emphasis role="italic">zware gronden</emphasis>) </para>
      <para>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<?linebreak?>3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; <?linebreak?></para>
      <para>(<emphasis role="italic">lichte gronden</emphasis>) </para>
      <para>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<?linebreak?>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.</para>
      <para />
      <para>3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij mede de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voortraject</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De gemachtigde van eiseres vraagt zich af of staandehouding heeft mogen plaatsvinden op basis van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank staat in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en overdracht gemotiveerd beschreven dat staandehouding, op grond van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, heeft plaatsgevonden. De rechtbank ziet geen redenen om hieraan te twijfelen. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Grondslag</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf heeft, omdat haar asielaanvraag bij besluit van 30 mei 2025 buiten behandeling is gesteld, waarbij aan eiseres ook een terugkeerbesluit en inreisverbod voor de duur van twee jaar is opgelegd. Hieraan heeft zij geen gevolg gegeven. Eiseres valt daarom onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Gronden</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>6. Uit de uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_65901aa8-f95b-4935-81aa-91161dc0eed5" /> van 25 maart 2020<footnote-ref linkend="_8c711e61-6f05-4ef1-8a40-d09ee37bc64f" /> volgt dat, om de gronden 3b en 3c aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3b feitelijk juist is, omdat uit het dossier blijkt dat eiseres op 10 mei 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Ook de grond 3c is feitelijk juist, omdat op 30 mei 2025 een meeromvattend besluit is genomen, waarin eiseres haar asielaanvraag buiten behandeling is gesteld en ook een terugkeerbesluit en inreisverbod aan haar is opgelegd. Eiseres heeft echter geen gevolg gegeven aan haar vertrekplicht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware gronden en de niet betwiste lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiseres niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op haar rustende vertrekplicht. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiseres er door de minister ook op is gewezen dat eventuele medische behandeling in Detentiecentrum Zeist beschikbaar is. Daarnaast is de rechtbank niet gebleken van andere persoonlijke belangen van eiseres die de bewaring voor haar onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding heeft moeten zien om aan eiseres een lichter middel dan bewaring op te leggen. Daar komt bij dat eiseres, zoals hiervoor onder 6. reeds aangegeven, zich aan het toezicht heeft onttrokken door op 10 mei 2025 met onbekende bestemming te vertrekken. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Voortvarendheid</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiseres. Zo stond op 9 juni 2025 en 23 juni 2025 een vertrekgesprek gepland, maar hebben deze gesprekken niet plaatsgevonden, omdat eiseres heeft geweigerd hieraan deel te nemen. Op 30 juni 2025 heeft wel een vertrekgesprek plaatsgevonden. Daarnaast is op 27 juni 2025 een kopie paspoort verzonden naar de DIA<footnote-ref linkend="_a0c04b36-bcf4-44ab-b95e-2e2f8fc42bb5" /> en heeft de minister op 30 juni 2025 een lp<footnote-ref linkend="_ae978d82-5c7c-49cf-a7e0-a370a434e1cb" />-traject richting Nigeria opgestart. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Zicht op uitzetting</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>9. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Nigeria in het algemeen niet ontbreekt. Ook zijn er geen aanknopingspunten dat Nigeria geen lp binnen een redelijke termijn aan eiseres zou kunnen verstrekken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>9.1.</nr>
      <para>Op eiseres rust bovendien de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee dat eiseres actieve en volledige medewerking aan haar uitzetting moet verlenen. Hieraan heeft eiseres tot op heden geen gevolg gegeven. Zoals hiervoor reeds vermeld heeft eiseres tweemaal geweigerd om deel te nemen aan een vertrekgesprek. Dat eiseres niet voldoende meewerkt, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook aan haar worden toegerekend. Het zicht op uitzetting is ook hiermee gegeven.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.  </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars - Mast, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. </para>
      <para>De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f3f3dbe9-7e97-4f90-9ba7-d6420742b760" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_65901aa8-f95b-4935-81aa-91161dc0eed5" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8c711e61-6f05-4ef1-8a40-d09ee37bc64f" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2020:829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0c04b36-bcf4-44ab-b95e-2e2f8fc42bb5" label="4">
    <para> Directie Internationale Aangelegenheden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ae978d82-5c7c-49cf-a7e0-a370a434e1cb" label="5">
    <para> Laissez-passer. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>