<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:13347</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-25T09:00:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.29196</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13347">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13347</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-22T12:58:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:13347 Rechtbank Den Haag , 22-07-2025 / NL25.29196</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13347:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vreemdelingenrecht. Verzoek om een voorlopige voorziening. Verweerder verzet zich niet tegen toewijzing. Verzoek toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13347:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.29196 </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] , V-nummer: [v-nummer 1] , verzoeker</bridgehead>
    <parablock>
      <para>mede voor zijn partner</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [partner]
        </emphasis>, V-nummer: [v-nummer 2] , </para>
      <para>en voor zijn minderjarige kinderen</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige 1]
        </emphasis>, V-nummer: [v-nummer 3] , en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [minderjarige 2]
        </emphasis>, V-nummer: [v-nummer 4]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D. Schaap),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L.A. Haas).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 27 september 2023 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ afgewezen. </para>
      <para>Met besluiten van dezelfde datum heeft verweerder de aanvragen van [partner] , [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot verlening van verblijfsvergunningen regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [verzoeker] ’ afgewezen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 4 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker en zijn gezinsleden tegen de besluiten van 27 september 2023 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 21 juli 2025 per brief laten weten dat hij zich niet langer verzet tegen toewijzing van het verzoek ten aanzien van [minderjarige 2] , de minderjarige dochter van verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Omdat het verzoek kennelijk gegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beoordeling door de voorzieningenrechter</title>
    <para />
    <para>1. Verzoeker wijst erop dat bij uitspraak van 24 april 2025 (202500809/2/V2) de  voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij wijze van voorlopige voorziening heeft bepaald dat verzoeker niet mag worden uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9505, bepaald dat een nieuwe sticker met een verblijfsaantekening, met daarin de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid wel toegestaan’, aan verzoeker wordt verstrekt, die geldig is totdat op het hoger beroep tegen de uitspraak van 10 januari 2025 (NL23.17206) is beslist. Die uitspraken zien echter alleen op verzoeker, [partner] en [minderjarige 1] . Met het onderhavige verzoek wordt beoogd dat ook [minderjarige 2] rechtmatig verblijf verkrijgt hangende het beroep tegen het bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft bij brief van 21 juli 2025 laten weten dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
    <para>3. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek toe. Dat betekent dat [minderjarige 2] niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist.</para>
    <para />
    <para>4. Omdat het verzoek wordt toegewezen, moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden.</para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 907,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:</para>
    </parablock>
    <para>- wijst het verzoek toe, in die zin dat [minderjarige 2] niet mag worden uitgezet totdat op het beroep is beslist;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 907,-</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Groeneveld, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.</emphasis>
      </para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>