<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:13211</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-21T15:30:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.8792</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#vereenvoudigdeBehandeling">Vereenvoudigde behandeling</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13211">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:13211</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-21T15:29:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:13211 Rechtbank Den Haag , 21-07-2025 / NL25.8792</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13211:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep niet tijdig, regulier</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:13211:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.8792</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam],</title>
    <para>V-nummer: [nummer],</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [naam], </title>
    <para>V-nummer: [nummer],</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam],</title>
    <para>V-nummer: [nummer],</para>
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam],</title>
    <para>V-nummer: [nummer],</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>gezamenlijk: eisers, </para>
      <para>(gemachtigde: mr. F. van Dijk), </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, de minister.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In een eerdere procedure (NL24.10745) heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. De minister moest binnen een termijn van acht weken alsnog een besluit nemen op de aanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, zij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500,-.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Deze uitspraak gaat over het opvolgende beroep dat eisers hebben ingediend omdat de minister volgens hun niet op tijd heeft beslist op de aanvraag van 1 augustus 2023 tot het verlenen van een machtiging voor voorlopig verblijf.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.<footnote-ref linkend="_2922735f-d9d1-4578-8bdc-3099e51d3e9c" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <parablock>
        <para>Eisers hebben gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen. Eisers hoeven dus geen griffierecht te betalen. </para>
        <para>
          <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is het beroep ontvankelijk en gegrond? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moeten eisers de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat zij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen.<footnote-ref linkend="_319b8e0a-0c22-4c20-a709-90c2919e9be7" /> Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig.<footnote-ref linkend="_23b8674e-766a-4961-a6b8-8ed21fef6d29" /></para>
      <para />
      <para>3. In de uitspraak van 10 oktober 2024 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van acht weken. De minister heeft niet binnen deze termijn een besluit op de aanvraag genomen. </para>
      <para />
      <para>4. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats sluit in de uitspraken van 9 juli 2025<footnote-ref linkend="_91c9c997-3275-46e7-bed4-6dbe9c1aec39" /> aan bij uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem<footnote-ref linkend="_1c13a1e7-cddd-4d61-93c8-73a17cbf1ec6" />, en de Afdeling<footnote-ref linkend="_efdfc8d6-b1ac-4e47-b127-9fbaa248fe79" />. In die uitspraken is geoordeeld dat sprake is van een bijzonder geval bij de overschrijding van de beslistermijn bij aanvragen om gezinshereniging bij een houder van een asielvergunning<footnote-ref linkend="_126387c0-3afc-411d-9ec7-d7a1702133b6" />, waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn op volgens het zogenoemd ‘sporenmodel’<footnote-ref linkend="_63bb6db5-ae76-4c77-bad9-171a15c245df" />. </para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank stelt vast dat het dossier (mogelijk) nog niet compleet is, omdat de minister de bij de aanvraag ingediende documenten nog moet beoordelen, van plan is een herstelverzuim te sturen voor nadere documenten of informatie, of in afwachting is van een reactie op die herstelverzuimbrief. Dit betekent dat de minister in principe binnen acht weken een besluit op de aanvraag bekend moet maken, tenzij de minister binnen deze termijn besluit tot nader onderzoek. In dat geval moet de minister binnen twintig weken een beslissing op de aanvraag nemen. Echter, gelet op de beslistermijn van acht weken die de rechtbank in een eerdere procedure heeft opgelegd en het tijdsverloop sindsdien, bepaalt de rechtbank dat de minister binnen vier weken een beslissing op de aanvraag moet nemen. De termijn begint op de dag na het bekendmaken van deze uitspraak. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op? </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Eisers hebben gevraagd om een dwangsom op te leggen als de minister niet op tijd beslist. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat, als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvraag neemt, zij opnieuw een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, nu met een maximum van € 15.000,-.<footnote-ref linkend="_def70624-068f-40af-a048-f5e18b2d914a" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Is de minister een bestuurlijke dwangsom verschuldigd?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>8. Eisers hebben gevraagd opnieuw de bestuurlijke dwangsom vast te stellen. De rechtbank heeft deze wettelijk verschuldigde dwangsom al vastgesteld op het maximale bedrag in de uitspraak van 10 oktober 2024. Deze bestuurlijke dwangsom kan niet tweemaal worden verbeurd. De rechtbank wijst dit verzoek af.  </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen </title>
    <para />
    <para>9. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister binnen <?linebreak?>vier weken een besluit moet nemen op de aanvraag. Doet de minister dat niet, dan is zij aan eisers een dwangsom verschuldigd.  </para>
    <para />
    <para>10. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.<footnote-ref linkend="_8c2d72c1-6c5d-496a-8265-f8d10ac5ace5" /></para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt de minister op binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek af om de bestuurlijke  dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb opnieuw vast te stellen;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van <?linebreak?>€ 453,50.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2922735f-d9d1-4578-8bdc-3099e51d3e9c" label="1">
    <para> Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_319b8e0a-0c22-4c20-a709-90c2919e9be7" label="2">
    <para> Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_23b8674e-766a-4961-a6b8-8ed21fef6d29" label="3">
    <para> Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_91c9c997-3275-46e7-bed4-6dbe9c1aec39" label="4">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2025:12613, ECLI:NL:RBDHA:2025:12615 en ECLI:NL:RBDHA:2025:12140.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1c13a1e7-cddd-4d61-93c8-73a17cbf1ec6" label="5">
    <para> ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_efdfc8d6-b1ac-4e47-b127-9fbaa248fe79" label="6">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State, ECLI:NL:RVS:2025:2337. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_126387c0-3afc-411d-9ec7-d7a1702133b6" label="7">
    <para> Als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_63bb6db5-ae76-4c77-bad9-171a15c245df" label="8">
    <para> Zie voor een toelichting op dit sporenmodel de genoemde uitspraken van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 juli 2025.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_def70624-068f-40af-a048-f5e18b2d914a" label="9">
    <para> Artikel 8:55d. tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8c2d72c1-6c5d-496a-8265-f8d10ac5ace5" label="10">
    <para> Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>