<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:12868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-17T09:41:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.14028</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12868">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12868</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-17T09:41:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:12868 Rechtbank Den Haag , 18-04-2025 / NL25.14028</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12868:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Bulgarije, Ongegrond, Helsinki Committe, AIDA rapport 2025,</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12868:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>uitspraak</para>
  <para>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="1e905aef-7918-4c25-ba51-64a46f374ccf" depth="2" width="523" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
    <inlinemediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="ef0dadb7-71e9-4c8b-b7c7-5d43187f620d" depth="2" width="13" format="image/png" />
      </imageobject>
    </inlinemediaobject>
  </para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.14028</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">
        [eiser]
      </emphasis>, V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>en</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, de minister (gemachtigde: mr. K. Kanters).</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Inleiding</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 24 maart 2025 niet in behandeling genomen omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
  <parablock>
    <para>1.1. De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van verweerder en de tolk: I. Shamoun.</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">Beoordeling door de rechtbank</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.</para>
  <para>3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.1 In dit geval heeft Nederland bij Bulgarije een verzoek om overname gedaan. Bulgarije heeft dit verzoek aanvaard.</para>
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="37200081-ccc1-44a7-880e-fac812b35741" depth="2" width="193" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <para>1. Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">Opvang</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>5. Eiser stelt dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In dit kader overlegt eiser het rapport Matteo2 van 29 januari 2025. Uit pagina 3 en 4 van dit rapport blijkt dat alleenstaande mannen in Bulgarije geen opvang wordt geboden en dat tegen hiertegen geen effectief rechtsmiddel open staat. Eiser overlegt ook en mailwisseling tussen advocaat [naam] van het Refugees and Migrant Legal Protection Programme Bulgarian Helsinki Committe en gemachtigde van eiser van 25 en 26 maart 2025. Uit deze mailwisseling blijkt ook dat alleenstaande mannen in Bulgarije geen opvang wordt geboden en dat tegen deze weigering geen rechtsmiddel open staat. Ook verwijst eiser naar pagina’s 80 tot en met 83 en pagina’s 86 tot en met 88 van het AIDA-rapport over Bulgarije van maart 2025, waaruit blijkt dat de opvangomstandigheden verslechterd en onveilig zijn. Daarnaast verwijst eiser naar pagina 12 tot en met 27 en pagina 37 en 38 van het Rapport Matteo, waaruit blijkt dat detentieomstandigheden in Bulgarije erbarmelijke zijn. Eiser stelt dat de minister de detentieomstandigheden in Bulgarije beter had moeten onderzoeken.</para>
  <parablock>
    <para>5.1. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat de minister mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder andere de richtinggevende uitspraken van 16 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3133 en ECLI:NL:RVS:2023:3134, 29 februari 2024,</para>
    <para>ECLI:NL:RVS:2024:870, en 27 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2647, die onder meer gaan over het opvangsysteem in Bulgarije, geoordeeld dat de minister ten aanzien</para>
    <para>van Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. Dit oordeel heeft de Afdeling recent, in de uitspraak van 3 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:376, nog eens herhaald. Het vorenstaande betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Bulgarije zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Bulgarije, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Bulgaarse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling.</para>
    <para>5.2. Eisers betoog dat er niet uit kan worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel slaagt niet. De door eiser aangehaalde problemen met betrekking tot de opvangvoorzieningen en asielprocedure zijn geen schendingen van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen zoals gedefinieerd in het arrest Jawo.3 De verwijzing van eiser naar de AIDA-rapportage update 2024 is onvoldoende om aan te nemen dat de grens van zwaarwegendheid zoals bedoeld in het arrest Jawo thans wel wordt bereikt. Eiser heeft geen concrete punten aangegeven waaruit blijkt dat de (opvang)situatie relevant slechter is dan voorheen. Dat Vluchtelingenwerk zich op het standpunt stelt dat dat wel zo is, maakt dat niet anders omdat</para>
  </parablock>
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="a158f2f0-ce54-4345-9fdb-5394c504ae3c" depth="2" width="193" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <para>2 Abgeschoben aus Deutschland nach Bulgarien: Systematische Verelendung im Transitland - kein Bett, kein Brot, keine Seife.</para>
  <para>3 ECLI:EU:C:2019:218.</para>
  <parablock>
    <para>ook hier geen concrete informatie aan ten grondslag ligt. Zo noemt eiser dat Vluchtelingenwerk stelt dat de veiligheid in de opvangvoorzieningen verder is verslechterd, maar de rechtbank maakt dit niet op uit de laatste update. Uit pagina 87 van de rapportage blijkt bijvoorbeeld dat de Bulgaarse autoriteiten stappen ondernemen om de veiligheid binnen asielzoekerscentra te verbeteren door particuliere beveiliging te vervangen door beveiliging vanuit het ministerie. Ook overigens is niet gebleken dat er sprake is van relevante verslechtering van toegang tot de procedure en de opvang. Dit blijkt ook niet onmiskenbaar uit de overgelegde mailwisseling en het rapport van Matteo. Dat er zorgen zijn is duidelijk, maar dat de situatie is verslechterd ten opzichte van de eerder bekende informatie, blijkt hieruit niet. Ook het feit dat de European Union Agency for Asylum blijkens een persbericht van 28 maart 2025 Bulgarije hulp verstrekt bij versterking van de (toegang tot de) asielprocedure en de opvang, betekent niet dat de omstandigheden thans niet aan de internationale regels voldoen. Overigens blijkt uit het persbericht dat ook Nederland hulp wordt geboden. De Afdeling heeft geoordeeld dat uit de theoretische mogelijkheid dat een gerechtelijke procedure kan worden stopgezet, omdat een vreemdeling niet kan bewijzen dat aan hem mondeling de toegang tot opvang is geweigerd, niet volgt dat er geen effectief rechtsmiddel open staat.4 Het ligt op de weg van eiser om over een onrechtmatige behandeling te klagen bij de Bulgaarse autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser bij de Bulgaarse autoriteiten heeft geklaagd, of dat dit onmogelijk is. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de minister nader onderzoek had moeten doen.</para>
    <para>
      <emphasis role="italic">Medische omstandigheden</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <para>6. Eiser voert aan dat hij psychische problemen heeft en dat de overdracht naar Bulgarije onomkeerbare gevolgen voor hem zou hebben, omdat specialistische psychiatrische zorg niet beschikbaar is in Bulgarije. Eiser heeft daartoe zijn medisch dossier overlegd. Eiser verwijst naar pagina’s 23 en 24 van het Matteo rapport, waaruit blijkt dat er onvoldoende medische behandelingen in Bulgarije beschikbaar zijn. Eiser gaat naar een psycholoog omdat hij trauma’s heeft opgelopen door zijn detentie in Jordanië. Hij stelt dat de omstandigheden in Bulgarije hem aan de situatie in Jordanië doen denken en dat hij daardoor last krijgt van zijn trauma.</para>
  <para>7. De rechtbank stelt voorop dat de minister gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel er in beginsel van mag uitgaan dat de zorg in Bulgarije vergelijkbaar en ook voor eiser toegankelijk is. Uit pagina 90 van het door eiser overlegde AIDA-rapport update 2025 blijkt dat asielzoekers in Bulgarije evenveel toegang hebben tot gezondheidszorg als mensen met de Bulgaarse nationaliteit. Ook blijkt dat in asielzoekerscentra basiszorg beschikbaar is voor asielzoekers. Hoewel uit de door eiser overlegde medische gegevens valt af te leiden dat hij psychische klachten heeft, blijkt uit de gegevens tot dusver niet dat hij specialistische behandeling nodig heeft. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat Nederland het meest aangewezen land is om hem te behandelen.</para>
  <parablock>
    <para>Gelet hierop mocht de minister ervan uitgaan dat de voor hem benodigde zorg in Bulgarije beschikbaar is.</para>
    <para>
      <emphasis role="underline">Artikel 17 van de Dublinverordening</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="b8adf370-ab6a-408e-a2c7-5ed7203ed80a" depth="2" width="193" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>ECLI:NL:RVS:2025:1080.</title>
    <para />
    <para />
    <para>8. Eiser betoogt dat de minister de asielaanvraag vanwege humanitaire redenen en vanuit mededogen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening naar zich toe had moeten trekken. Eiser heeft trauma’s opgelopen en de minister zou de asielaanvraag onverplicht in behandeling moeten nemen.</para>
    <para />
    <para>9. Dit betoog slaagt niet. Artikel 17 van de Dublinverordening betreft een discretionaire bevoegdheid die veel ruimte geeft aan de minister. Uitgaande van de terughoudende toetsing is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden afgezien van overdracht</para>
    <para>aan Bulgarije vanwege onevenredige hardheid. Het ligt op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat een overdracht naar Bulgarije van onevenredige hardheid getuigt. Dat eisers zoon in Nederland verblijft is niet zo’n omstandigheid reeds omdat ook zijn asielaanvraag niet in behandeling is genomen en eiser met zijn zoon naar Bulgarije kan. De stelling van eiser dat hij getraumatiseerd is, is ook niet doorslaggevend omdat niet duidelijk is gemaakt wat dit met een overdracht naar Bulgarije heeft te maken. Uit de door eiser overlegde medische rapportage blijkt niet dat eisers medische situatie tot de conclusie moet leiden dat een overdracht naar Bulgarije van een onevenredige hardheid getuigt.</para>
    <para>10. Voor zover eiser een beroep doet op het arrest C.K.5 in die zin dat overdacht zelf tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen leidt voor zijn gezondheidstoestand overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft aangegeven dat de omstandigheden in Bulgarije hem doen denken aan zijn detentie in Jordanië. Hij stelt hierdoor een trauma te hebben opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat eiser tot nu toe geen objectieve gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat overdracht, gezien zijn gestelde trauma, ernstige en onomkeerbare gevolgen kan hebben voor zijn gezondheidstoestand. Het enkele feit dat hij gesprekken heeft met een psycholoog (verwijzing/afspraak 4 april 2025) en/of POH-GGZ (afspraak 16 april 2025) is daarvoor onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Conclusie en gevolgen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="9fbc7d64-607e-49e8-8ee4-6ab51749bc76" depth="2" width="193" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>ECLI:EU:C:2017:12.</title>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J.M. Mol, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>18 april 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="db1ca914-9e1d-4700-9e2d-7f98c900e21d" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Documentcode: [Documentcode]</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>