<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:12669</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-21T10:12:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.12167</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12669">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12669</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-21T10:11:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:12669 Rechtbank Den Haag , 25-06-2025 / NL25.12167</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12669:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Kroatië, overdrachtsbesluit, MOB, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12669:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummers: NL25.12167 en NL 25.12168</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A.S. Sewman) </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: [naam] )</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 6 maart 2025. Met dat besluit heeft verweerder de termijn voor overdracht van eiser aan Kroatië in het kader van de Dublinverordering tot achttien maanden verlengd<footnote-ref linkend="_87e8442f-3d8d-4a8f-b336-2c1b01691bf6" />. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 mei 2025 op zitting behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eiser is, met voorafgaande bericht, niet verschenen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft eerder een asielaanvraag ingediend die niet in behandeling is genomen door verweerder, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag<footnote-ref linkend="_e6e0fdc1-a397-49c9-b868-829f28fc05a5" />. Het beroep van eiser daartegen is ongegrond verklaard. Eiser zou op 14 maart 2025, met vluchtnummer KL 1967, overgedragen worden aan Kroatië. De overdracht kon vervolgens niet doorgaan, omdat eiser niet aanwezig was bij de voor hem geplande overdracht. Volgens verweerder was er sprake van onderduiken en was dit de reden voor verweerder om de overdrachtstermijn te verlengen tot achttien maanden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser betoogt -kort gezegd- dat de overdrachtstermijn ten onrechte is verlengd, omdat niet is gebleken dat er sprake is van onderduiken.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. <?linebreak?>De vraag ligt hiervoor of verweerder de overdrachtstermijn heeft kunnen verlengen vanwege onderduiken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de overdrachtstermijn op goede gronden verlengt en overweegt hiertoe als volgt. </para>
    <para />
    <para>5. Uit het digitale dossier volgt dat eiser op 14 maart 2025, met vluchtnummer KL 1967, overgedragen zou worden aan Kroatië. Op 6 maart 2025 heeft het COA verweerder laten weten dat eiser zelfstandig de woonruimte heeft verlaten. Niet is gesteld of gebleken dat eiser bij zijn vertrek uit de opvang aan verweerder, het COA, de Avim en/of DT&amp;V heeft doorgegeven waar hij zou gaan verblijven en hoe hij te bereiken zou zijn. Daarvoor was hij feitelijk niet binnen het bereik van verweerder en kon de overdracht niet plaatsvinden. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft eiser de overdracht aan Kroatië doelbewust gefrustreerd en heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat sprake was van onderduiken als bedoeld in artikel 29 van de Dublinverordening. De verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2022<footnote-ref linkend="_ca60fd28-e8ef-4d8a-b471-1657f33576f5" /> kan eiser niet baten. In de zaak was vreemdeling op de dag van de overdracht juist wel binnen het bereik van verweerder en kon om die reden geen sprake zijn van onderduiken. Eiser was verder niet op zitting aanwezig om een en ander nader toe te lichten.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de overdrachtstermijn mocht verlengen. </para>
    <para />
    <para>7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van K. el Mahsini, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_87e8442f-3d8d-4a8f-b336-2c1b01691bf6" label="1">
    <para>Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6e0fdc1-a397-49c9-b868-829f28fc05a5" label="2">
    <para> Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ca60fd28-e8ef-4d8a-b471-1657f33576f5" label="3">
    <para>Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 december 2022, ECLI:NL: RVS:2022:3630</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>