<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:12605</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-14T14:45:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.29118</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12605">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12605</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-14T14:44:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:12605 Rechtbank Den Haag , 14-07-2025 / NL25.29118</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12605:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring. Eerste beroep. Nigeriaanse. Redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Ophouding. Voortvarend handelen. Lichter middel. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12605:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.29118</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D. Matadien),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. C.J. Ohrtmann).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.<footnote-ref linkend="_f09a2eac-e9d6-41ea-9011-61d9d4bfa201" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Nigeriaanse nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Redelijk vermoeden van illegaal verblijf en staandehouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat niet getoetst kan worden of sprake is van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, omdat het vertrekdossier van DT&amp;V<footnote-ref linkend="_1566b32b-bdaa-4437-a7d6-6b655bbf119f" /> waarop dit zou zijn gebaseerd niet is overgelegd. Verder is in het proces-verbaal van staandehouding een ander persoon genoemd, zodat dit leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. </para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van staandehouding van 30 juni 2025 blijkt dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland en niet of onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn terugkeer naar Nigeria. Reeds hierom is voldoende duidelijk geworden dat en waarom sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Dat het vertrekdossier van DT&amp;V niet in het dossier bevindt, maakt dit niet anders. De naam, anders dan die van eiser, die eenmalig in het proces-verbaal van staandehouding van 30 juni 2025 is genoemd, merkt de rechtbank op als kennelijke verschrijving nu uit alle andere onderdelen van het proces-verbaal voldoende blijkt dat het om eiser gaat en hij is staande gehouden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ophouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verder voert eiser aan dat de ophouding op onjuiste grondslag heeft plaatsgevonden. Hij is opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw, maar dit moet artikel 50, tweede lid, van de Vw zijn. Eiser beschikt namelijk niet over enige identiteitsdocumenten, zodat zijn identiteit niet kan worden vastgesteld.</para>
    <para />
    <para>5. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat de ophouding op een juiste grondslag heeft plaatsgevonden. Middels een machtiging tot binnentreden is eiser staande gehouden in zijn kamer op het AZC.<footnote-ref linkend="_a703cc20-4963-4bcc-8b4c-4ce36ce03f6c" /> Hoewel eiser niet beschikt over identiteitsdocumenten blijkt uit de machtiging tot binnentreden en het proces-verbaal van staandehouding dat zijn identiteit en verblijfsrechtelijke positie bij verweerder bekend was, zodat hij op de juiste grondslag is opgehouden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Als zware gronden<footnote-ref linkend="_7f716130-1e55-45bf-be62-ab7616abc87b" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; </emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>En als lichte gronden<footnote-ref linkend="_5049bed4-7761-490e-b7e5-990c17b015d3" /> zijn in de maatregel vermeld dat eiser:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;</emphasis>
        </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="italic">4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.</emphasis>
        </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para>7. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij als asielzoeker naar Nederland is gekomen en daarom deze gronden niet kunnen worden tegengeworpen. Eiser vreest voor terugkeer naar Nigeria en stelt dat zijn persoonlijke omstandigheden onvoldoende betrokken zijn bij de tegenwerping van deze gronden. Verder zijn de door eiser verstrekte gegevens gebruikt bij de LP<footnote-ref linkend="_3f875dd9-0fcc-4d33-b217-34377524138c" /> procedure, welke juist zijn. Tot slot heeft eisers veroordeling te maken met zijn psychische gesteldheid en staat dit los van het risico op onttrekking aan het toezicht.</para>
    <para />
    <para>8. Verweerder heeft op zitting de lichte grond 4e laten vallen.</para>
    <para />
    <para>9. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling<footnote-ref linkend="_e6a0563c-50ab-4123-9cd6-4be7c7991085" /> volgt dat voor het opleggen van onder meer de zware gronden 3a en 3c alleen is vereist dat deze gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder daarop – als dat het geval is – geen nadere toelichting op hoeft te geven.<footnote-ref linkend="_7b5261f8-9449-46cd-a93b-14cdff81bffd" /> De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware grond 3a en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Deze zware gronden zijn feitelijk juist en voldoende toegelicht om aan te nemen dat sprake is van een risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortvarend handelen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt, omdat hij lang op een AZC heeft verbleven. Verweerder had, gelet op zijn medische omstandigheden, dan ook eerder handelingen kunnen verrichten.</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende voortvarend handelt. Verweerder dient vanaf de oplegging van de maatregel van bewaring voortvarend te handelen. Om die reden wordt geen reden gezien dat verweerder vanwege eisers gestelde medische omstandigheden, welke niet zijn onderbouwd, eerder uitzettingshandelingen heeft moeten verrichten. Daarnaast heeft verweerder op 3 juli 2025 geprobeerd een vertrekgesprek met eiser te voeren, maar heeft eiser geweigerd hieraan deel te nemen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Eiser voert verder aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een plaatsing op een VBL.<footnote-ref linkend="_bc5116e6-2fd0-42c3-a1d8-fccde7a4b4a1" /> Eiser heeft medische problemen en krijgt op een VBL behandeling hiervoor. Het detentiecentrum Rotterdam heeft een strikt regime, waardoor zijn psychische gesteldheid wordt verergerd. Verder voldoet het detentiecentrum Rotterdam niet aan artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.<footnote-ref linkend="_1241be39-6bc4-49d5-8b73-e69ba1505e70" /></para>
    <para />
    <para>13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend kon worden toegepast. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd voldoende zijn om een risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Daarnaast heeft eiser verklaard niet terug te willen gaan naar Nigeria.<footnote-ref linkend="_30d570ea-492d-4928-8b0d-a530eaed068c" /> Verder heeft verweerder bij de belangenafweging terecht overwogen dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de medische zorg in de vrije maatschappij. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken. </para>
    <para />
    <para>14. Verder volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat het detentiecentrum Rotterdam als een speciale inrichting voor bewaring als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn kan worden aangemerkt.<footnote-ref linkend="_38e04e65-639b-4758-93c9-700b24a4bf79" /> In wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding nu anders te oordelen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>15. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>16. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond; en</para>
      <para> wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 14 juli 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_f09a2eac-e9d6-41ea-9011-61d9d4bfa201" label="1">
    <para> Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1566b32b-bdaa-4437-a7d6-6b655bbf119f" label="2">
    <para> Dienst Terugkeer &amp; Vertrek.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a703cc20-4963-4bcc-8b4c-4ce36ce03f6c" label="3">
    <para> Asielzoekerscentrum.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7f716130-1e55-45bf-be62-ab7616abc87b" label="4">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5049bed4-7761-490e-b7e5-990c17b015d3" label="5">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3f875dd9-0fcc-4d33-b217-34377524138c" label="6">
    <para> Laissez-passer.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e6a0563c-50ab-4123-9cd6-4be7c7991085" label="7">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b5261f8-9449-46cd-a93b-14cdff81bffd" label="8">
    <para> ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bc5116e6-2fd0-42c3-a1d8-fccde7a4b4a1" label="9">
    <para> Vrijheidsbeperkende locatie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1241be39-6bc4-49d5-8b73-e69ba1505e70" label="10">
    <para> Richtlijn 2008/115/EG.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_30d570ea-492d-4928-8b0d-a530eaed068c" label="11">
    <para> Proces-verbaal van gehoor van 30 juni 2025, p. 4 van 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_38e04e65-639b-4758-93c9-700b24a4bf79" label="12">
    <para> ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2663 en 21 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2103.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>