<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:12327</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-19T11:12:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 25/2044</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12327">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12327</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-16T14:58:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:12327 Rechtbank Den Haag , 15-07-2025 / SGR 25/2044</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12327:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wht. Sbn. Beroep niet-ontvankelijk, geen besluit in de zin van de Awb, niet op rechtsgevolgen gericht. Geen verschoonbare termijnoverschrijding. Ambtshalve inhoudelijke beoordeling. Verzoek om herziening.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12327:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 25/2044</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , uit [woonplaats] (Bonaire), eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Köse-Albayrak),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">ministerie van Financiën, Programma DG Herstel, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">Inleiding</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	In deze uitspraak behandelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de brief van 18 april 2024, waarin verweerder eiseres een reactie geeft op haar bezwaarschrift.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Op 18 juli 2024 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>De rechtbank heeft partijen laten weten een zitting niet nodig te vinden en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en het verzoek niet behandeld op een zitting<footnote-ref linkend="_0830894a-a46c-4819-bd95-c0fd498098d0" />.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>2. Eiseres heeft in het kader van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) een aantal privaatrechtelijke schulden ingediend bij de Sociale Banken Nederland (Sbn).</para>
    <para />
    <para>3. Bij primaire beschikking van 28 april 2023 heeft Sbn aangegeven dat deze ingediende schulden niet voor vergoeding in aanmerking komen.</para>
    <para />
    <para>4. Eiseres heeft vervolgens tegen de beschikking van 28 april 2023 bezwaar gemaakt op 22 juni 2023. Op 19 september 2023 heeft eiseres aanvullend bezwaar gemaakt. De termijn liep af op 10 mei 2023. Eiseres heeft geen verschoonbare reden aangegeven voor de te late indiening van het bezwaarschrift.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder is overgegaan tot een ambtshalve inhoudelijke beoordeling en heeft het bezwaar bij beslissing van 13 februari 2024 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Tegen dit besluit is geen beroep ingesteld door eiser.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft op 26 maart 2024 voorlopig bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 13 januari 2024. Het bezwaar van eiser was alleen gericht tegen de (gedeeltelijke) afwijzing van een herzieningsverzoek.</para>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft op 18 april 2024 op het bezwaarschrift van 26 maart 2024 gereageerd. In het kader van de doorzendplicht heeft verweerder daarbij aangeboden om het bezwaarschrift van eiser door te zenden naar de rechtbank. Eiseres heeft daar geen gebruik van gemaakt. </para>
    <para />
    <para>8. Eiseres heeft op 30 mei 2024 beroep ingesteld tegen het schrijven van verweerder van 18 april 2024.</para>
    <para />
    <para>9. Eiseres betoogt dat het bezwaar wel ontvankelijk is, omdat het bezwaar mede aangemerkt dient te worden als een verzoek om herziening. Dat verzoek dient voorts aangemerkt te worden als een aanvraag en de beslissing op het herzieningsverzoek als een voor bezwaar vatbare beschikking. Daardoor zou volgens eiseres tegen de beslissing op het herzieningsverzoek bezwaar open staan.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>10. Verweerder heeft aangevoerd dat er geen bestreden beslissing op bezwaar aanwezig is. De brief van verweerder van 18 april 2024 waar beroep tegen is ingesteld, is geen primair besluit of een beslissing op bezwaar, maar een brief waarin uitleg wordt gegeven en verzocht om een reactie.</para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank volgt verweerders standpunt en verklaart het beroep niet-ontvankelijk, omdat het beroep is ingesteld tegen de brief van 18 april 2024. Deze brief is geen besluit in de zin van de Awb en ook geen beslissing op bezwaar. De brief is niet op rechtsgevolgen gericht. Het is een informatieve brief waarin een uitleg wordt gegeven over de ambtshalve beoordeling die is gemaakt in de beslissing op bezwaar van 13 februari 2024. Tegen deze beslissing op bezwaar heeft eiser geen beroep ingesteld. Verweerder legt in de brief van 18 april 2024 uit dat niet twee keer bezwaar kan worden gemaakt tegen hetzelfde besluit en dat verweerder het bezwaarschrift van 26 maart 2024 daarom opvat als een beroepschrift. Maar omdat eiser in bezwaarschrift van 26 maart 2024 uitdrukkelijk stelt niet op te komen tegen de niet-ontvankelijkheidsverklaring van 13 februari 2024 heeft verweerder het bezwaarschrift nog niet doorgestuurd naar de rechtbank. Verweerder heeft eiseres gevraagd of zij wenst dat verweerder dit alsnog doet, eiseres heeft hier niet op gereageerd. Omdat de brief van 18 april 2024 geen besluit is in de zin van de Awb, is de rechtbank van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>12.	Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van J.F. Elzenaar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0830894a-a46c-4819-bd95-c0fd498098d0" label="1">
    <para> Op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>