<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:12139</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-12-10T13:05:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-03-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/681136/ KG RK 25-280</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJF 2025/416</rdf:li>
          <rdf:li>JBPr 2025/75 met annotatie van mr. A.D.M. Roerink</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12139">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:12139</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-16T14:19:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:12139 Rechtbank Den Haag , 11-03-2025 / C/09/681136/ KG RK 25-280</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12139:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Dit verzoek en het daarop gegeven verlof worden op verzoek van de verzoeker (gepseudonimiseerd) gepubliceerd in het belang van de rechtsontwikkeling.</para>
        <para>Het betreft een verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag in verband met een strafrechtelijke kostenverhaalmaatregel. Het gevraagde verlof is verleend.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:12139:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Verzoekschrift tot het verkrijgen van verlof tot het leggen van conservatoir beslag op een onroerende zaak (ex art. 725 jo. 707 Rv)</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Herziene versie van het verzoekschrift d.d. 3 maart 2025</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Aan de edelachtbare heer/vrouwe voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>Geeft eerbiedig te kennen:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>de publiekrechtelijke rechtspersoon <emphasis role="bold underline">de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, meer in het bijzonder het Openbaar Ministerie)</emphasis>, zetelende te Den Haag, te dezer zake woonplaats kiezende te Den Haag aan de Bezuidenhoutseweg nr. 57, ten kantore van mr. G.C. Nieuwland (postbus 11756, 2502 AT), die tot advocaat wordt gesteld en als zodanig dit verzoekschrift ondertekent en indient;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gerekwestreerde in deze is:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de heer <emphasis role="bold underline">[naam 1]</emphasis> (hierna: <emphasis role="underline">[naam 1]</emphasis>), wonende te [plaats 1] aan de [adres 1] ( [postcode] ), thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats 2] ;</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Grondslag en bedrag van de geldvordering</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Verzoeker (hierna: <emphasis role="underline">de Staat</emphasis>) heeft een vordering op [naam 1] tot vergoeding van kosten als bedoeld in art. 13d van de Opiumwet ter hoogte van € 97.674,56 (zegge: zevenennegentigduizend zeshonderdvierenzeventig euro en zesenvijftig cent). Deze geldvordering is vastgesteld en toegewezen in een strafrechtelijk vonnis van de rechtbank Noord-Holland (hierna: <emphasis role="underline">het Vonnis</emphasis>) (<emphasis role="bold underline">productie 1</emphasis>). De Staat licht dat hierna toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>
        [naam 1] is op 21 oktober 2024 door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland, team Straf (hierna: <emphasis role="underline">de Rechtbank</emphasis>) veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren wegens, kort gezegd, de grootschalige productie van synthetische drugs.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Rechtbank acht in het Vonnis wettig en overtuigend bewezen dat [naam 1] :</para>
      </parablock>
      <para />
      <orderedlist numeration="arabic">
        <listitem>
          <para>in de periode van 15 januari 2024 tot en met 17 februari 2024 te [plaats 3] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen, in een pand, gelegen aan of bij de [adres 2] , aldaar opzettelijk heeft vervaardigd en bereid en bewerkt en verwerkt en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, hoeveelheden van een materiaal bevattende Clefedron (4-chloormethcathinon, 4-CMC);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>op 17 februari 2024 te [plaats 3] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen, in een pand, gelegen aan of bij de [adres 2] , aldaar opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 1145 kilo Clefedron (4-chloormethcathinon, 4-CMC);</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>in de periode van 15 januari 2024 tot en met 17 februari 2024, te [plaats 3] , gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met anderen (meermalen) om een feit, bedoeld in het vierde en/of vijfde lid van art. 10 van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten:</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <parablock>
        <para>- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en</para>
        <para>- het opzettelijk vervaardigen, </para>
        <para>van Clefedron (4-chloormethcathinon, 4-CMC), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende Clefedron,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,</para>
        <para>- zich en/of een ander gelegenheid en middelen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,</para>
        <para>- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte en zijn mededaders, wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, door:</para>
        <para>o hardware / laboratoriumbenodigdheden (onder meer een hoeveelheid droogrekken en vrieskisten en maskers en reactieketels), welke voorwerpen benodigd zijn, althans kunnen worden gebruikt, bij/voor de bereiding en verwerking en vervaardiging van Clefedron, voorhanden/aanwezig te hebben en (daartoe)</para>
        <para>o een/meerdere stof(fen), te weten:</para>
        <para> (A) een hoeveelheid (ongeveer 9025 kilo) 2-broom-4-chloorpropiofenon en</para>
        <para> (B) een hoeveelheid (ongeveer 50 liter) Pirolicline en</para>
        <para> (C) een hoeveelheid (ongeveer 50 liter) Valerophenone en</para>
        <para> (D) een hoeveelheid (ongeveer 3740 liter) Methylamine en</para>
        <para> (E) een hoeveelheid (ongeveer 400 liter) Aceton en</para>
        <para> (F) een hoeveelheid (ongeveer 3600 liter) Dichloormethaan en</para>
        <para> (G) een hoeveelheid (ongeveer 400 liter) zoutzuur en</para>
        <para> (H) een hoeveelheid (ongeveer 100 liter) 3-chloropropiophenon,</para>
        <para>voorhanden te hebben en/of op te slaan.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Vanwege deze feiten heeft de Rechtbank in het Vonnis ook een zogeheten kostenverhaalmaatregel opgelegd. Deze maatregel ex art. 13d van de Opiumwet maakt het mogelijk dat kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of volksgezondheid, worden verhaald op degene die wordt veroordeeld ter zake van een strafbaar feit dat in verband staat met die voorwerpen. De Rechtbank heeft vastgesteld dat aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.<footnote-ref linkend="_add62b59-95ba-4e0a-bdf4-19dae4824cbe" /> In de loods waar de drugs werden geproduceerd, waren namelijk stoffen aanwezig die ernstig gevaar opleverden voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en de Staat heeft kosten gemaakt voor vernietiging daarvan. Onder verwijzing naar het kostenoverzicht en een factuur van [bedrijfsnaam] B.V. (<emphasis role="bold underline">productie 2</emphasis>), stelt de Rechtbank deze kosten vast op € 293.023,69 en veroordeelt [naam 1] , zijnde één van de drie verdachten, tot betaling van een derde van dat bedrag: € 97.674,56.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>Tegen het Vonnis is door [naam 1] hoger beroep ingesteld, waardoor de veroordeling nog niet onherroepelijk is.<footnote-ref linkend="_27a2528e-1ffc-4436-97ce-9c1bd1c0a792" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5</nr>
      <para>Gelet op het Vonnis begroot de Staat de geldvordering op [naam 1] inclusief rente en kosten, conform de Beslagsyllabus, op € 126.976,92. Voor zover het Vonnis in hoger beroep wordt vernietigd, strekt het conservatoire beslag waarvoor de Staat verlof verzoekt, (mede) tot zekerheid van een thans op hetzelfde bedrag te begroten vordering uit hoofde van een in hoger beroep op te leggen kostenverhaalmaatregel. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De Staat merkt nog op dat op in 2024 in verband met dezelfde strafbare feiten reeds conservatoir beslag is gelegd op contant geld afkomstig uit de portemonnee van [naam 1] ter waarde van € 795,-.<footnote-ref linkend="_2bc7baa9-1ff6-484f-9575-d28803db539b" /> Dit conservatoir beslag is gelegd op grond van art. 94a lid 1 Sv (conservatoir beslag voor een op te leggen geldboete) en art. 94a lid 3 Sv (conservatoir beslag voor een op te leggen schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f Sr).<footnote-ref linkend="_1b07d4fd-15ba-44b4-9f71-1ddac17f8ca6" /> Zoals hierna wordt toegelicht, biedt art. 94a Sv geen grondslag voor conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Aanwijzing van het beslagobject</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Het beslagobject betreft het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen te [adres 1] , [postcode] [plaats 1] (hierna: <emphasis role="underline">de Woning</emphasis>), althans het aandeel van [naam 1] hierin. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>De kadastrale aanduiding van het object is [kadastrale aanduiding 1] . <emphasis role="bold underline">Productie 5</emphasis> bevat de kadastrale eigendomsinformatie van dit object en toont aan dat [naam 1] de enige gerechtigde is tot dit appartementsrecht.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Civielrechtelijk conservatoir beslag voor een strafrechtelijke vordering</title>
    <bridgehead role="italic">De ontnemingsmaatregel, de schadevergoedingsmaatregel en de kostenverhaalmaatregel</bridgehead>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>De Staat ziet aanleiding om toe te lichten waarom hij civielrechtelijk conservatoir beslag wenst te leggen voor een vordering van strafrechtelijke aard. Op grond art. 36e lid 1 Sr kan de strafrechter op vordering van het Openbaar Ministerie (hierna: <emphasis role="underline">OM</emphasis>) aan iemand die is veroordeeld voor een strafbaar feit, een verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (‘ontnemingsmaatregel’). Op grond van art. 36f lid 1 Sr kan de strafrechter iemand die is veroordeeld voor een strafbaar feit, de verplichting opleggen tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer (‘schadevergoedingsmaatregel’). Op vergelijkbare wijze kan de strafrechter – ingevolge de op 1 juli 2022 in werking getreden Wet versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende criminaliteit<footnote-ref linkend="_9831eca2-cef9-432c-95c8-1789a7fdb4ec" /> – op grond van art. 13d lid 1 Opiumwet aan iemand die is veroordeeld voor bepaalde strafbare feiten uit de Opiumwet, een verplichting opleggen tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de Staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid (‘kostenverhaalmaatregel’).<footnote-ref linkend="_9431fc4b-2ff3-4a92-a4c5-53bb4ca3f7c3" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Anders dan ten aanzien van de ontnemingsmaatregel en de schadevergoedingsmaatregel biedt art. 94a Sv geen grondslag voor het leggen van conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel. Hoewel het aannemelijk is dat dit een omissie van de wetgever betreft (zie hierna), gaat de Staat er, gelet op het legaliteitsbeginsel zoals neergelegd in art. 1 Sv, van uit dat (analoge) toepassing van art. 94a Sv ten aanzien van de kostenverhaalmaatregel niet mogelijk is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Strikte toepassing legaliteitsbeginsel door Hoge Raad</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Dat de Hoge Raad art. 1 Sv, ook in de context van strafvorderlijk beslag, streng toepast, blijkt bijvoorbeeld uit het arrest <emphasis role="italic">Staat/S.</emphasis>. Toen dit arrest werd gewezen, voorzag het Wetboek van Strafvordering nog niet in een uitdrukkelijke bevoegdheid van het OM tot het leggen van strafvorderlijk <emphasis role="italic">executoriaal</emphasis> beslag op voorwerpen van een ander (‘anderbeslag’) zonder dat daaraan een conservatoir beslag<footnote-ref linkend="_69891108-b7f7-43c1-aa42-64ecb530e7a1" /> was voorafgegaan. De Staat heeft toen, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, betoogd dat executoriaal derdenbeslag, zonder voorafgaand conservatoir beslag desalniettemin wel mogelijk was. De Hoge Raad heeft dat betoog toen met de volgende motivering verworpen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Weliswaar heeft de wetgever blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 94a lid 3 Sv een verruiming van de beslag- en verhaalsmogelijkheden beoogd bij derden die te kwader trouw voorwerpen onder zich hebben die middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van het misdrijf in verband waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen, maar die algemene doelstelling volstaat niet voor de door het onderdeel bepleite uitleg van art. 575 Sv. In het licht van de ingevolge art. 1 Sv geboden restrictieve interpretatie van de voorschriften inzake de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen als de onderhavige kan immers de bevoegdheid tot het leggen van het hier aan de orde zijnde executoriaal beslag niet zonder wettelijke grondslag worden aanvaard.</emphasis>”<footnote-ref linkend="_a7c7a2a0-b637-4e17-b6fa-b93c8d55bb3b" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Toepassing van civielrechtelijk conservatoir beslag en de doorkruisingsleer</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Aangezien het Wetboek van Strafvordering de mogelijkheid tot het leggen van civielrechtelijk conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel niet uitsluit, rijst de vraag of het leggen van civielrechtelijk conservatoir beslag, als alternatief voor een strafvorderlijk conservatoir beslag, neerkomt op een onaanvaardbare doorkruising van het strafrecht.<footnote-ref linkend="_2cf9e0c4-0d3f-4329-b2cd-c7b500c63d12" /> Dit is in de visie van de Staat niet het geval. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5</nr>
      <para>Zoals besproken kan middels gebruikmaking van een strafvorderlijke regeling geen resultaat worden bereikt dat vergelijkbaar is met de toepassing van art. 725 (jo. 707) Rv. Art. 94a Sv biedt immers geen grondslag voor een conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel. Verder is van belang dat bij de toepassing van art. 725 Rv [naam 1] meer rechtsbescherming geniet dan bij (analoge) toepassing van art. 94a lid 2 of 3 Sv. Anders dan bij art. 725 Rv, hoeft bij toepassing van art. 94a lid 2 of 3 Sv immers geen sprake te zijn van gegronde vrees voor verduistering, hoeft geen maximumbedrag vermeld te worden waarvoor het recht tot verhaal zal worden uitgeoefend en zijn voorschriften omtrent termijnen waarbinnen na het beslag de eis in de hoofdzaak dient te zijn ingesteld niet van toepassing.<footnote-ref linkend="_8b917bcd-479e-4c5e-b1c1-c314a5162f6b" /> Bovendien geldt zowel bij conservatoire beslaglegging op grond van art. 94a Sv als bij conservatoire beslaglegging op grond van 725 Rv dat rechterlijke toetsing plaatsvindt. In beide gevallen gaat het (in beginsel) om een <emphasis role="italic">ex parte</emphasis>-toetsing.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6</nr>
      <para>Toepassing van art. 725 Rv in deze zaak sluit ook aan bij het systeem van de strafrechtelijke regeling. Zoals gezegd bestaat ten aanzien van de ontnemingsmaatregel ex art. 36e lid 1 Sr en de schadevergoedingsmaatregel ex art. 36f lid 1 Sr ook een mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag. Het belang dat door deze mogelijkheden wordt gediend – het veiligstellen van verhaal – is evenzogoed aan de orde wanneer de vordering van de Staat niet voortvloeit uit een ontnemings- of een schadevergoedingsmaatregel, maar uit een kostenverhaalmaatregel. Bovendien was het de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om bij de invoering van de kostenverhaalmaatregel aan te sluiten bij deze twee andere maatregelen. Deze bedoeling blijkt niet alleen uit de parlementaire geschiedenis van de kostenverhaalmaatregel,<footnote-ref linkend="_2a891337-d953-4f49-9c27-5c17e46d406c" /> maar ook uit de wet zelf. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Art. 13d lid 3 Opiumwet bepaalt dat <emphasis role="italic">de tenuitvoerlegging</emphasis> van de kostenverhaalmaatregel geschiedt op de wijze van tenuitvoerlegging van de ontnemingsmaatregel. Art. 6:4:9 Sv verklaart vervolgens op de tenuitvoerlegging van een ontnemingsmaatregel diverse artikelen die zien op de tenuitvoerlegging van <emphasis role="italic">een schadevergoedingsmaatregel</emphasis> van overeenkomstige toepassing. Hierdoor is art. 6:4:4 Sv (verhaal in geval van conservatoir beslag ex art. 94a Sv) ook van toepassing bij de tenuitvoerlegging van een kostenverhaalmaatregel. Dit is opvallend, omdat art. 94a Sv dus geen mogelijkheid biedt tot het leggen van conservatoir beslag in het geval van een kostenverhaalmaatregel. Dit is (1) een indicatie dat het achterwege blijven van een mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag ex art. 94a Sv voor een vordering uit hoofde van een kostenverhaalmaatregel een omissie van de wetgever betreft en (2) een indicatie dat het systeem en de strekking van het Wetboek van Strafvordering en de wil van de wetgever zich niet principieel verzetten tegen de mogelijkheid van (civielrechtelijk) conservatoir beslag voor een vordering uit hoofde van een kostenverhaalmaatregel.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7</nr>
      <para>Gelet op een en ander kan bij toepassing van art. 725 Rv in dit geval geen sprake zijn van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrecht. Dat betekent dat de toepassing van art. 725 Rv hier is toegestaan.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Enkele opmerkingen omtrent Staat/Tradman en het legaliteitsbeginsel ex art. 1 Sv</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8</nr>
      <para>Naar aanleiding van een eerdere – op 3 maart 2025 ingediende – versie van dit beslagrekest, heeft de voorzieningenrechter bij bericht van 4 maart 2025 aan de Staat gevraagd in het rekest nader in te gaan op de vraag hoe het onderhavige verzoek zich verhoudt tot het arrest <emphasis role="italic">Staat/Tradman</emphasis> (HR 4 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1579). Hieromtrent merkt de Staat het volgende op. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9</nr>
      <para>Hoewel in beide zaken <emphasis role="italic">in abstracto</emphasis> de vraag speelt hoe civielrechtelijk optreden door de Staat zich verhoudt tot het legaliteitsbeginsel, staat in beide zaken een wezenlijk andere rechtsvraag centraal en bestaan er cruciale verschillen tussen beide zaken. Inzet van het onderhavige verzoek is immers niet dat een geheel nieuwe vordering jegens de wederpartij in het leven wordt geroepen buiten het publiekrechtelijke systeem om. Het verzochte conservatoire beslag dient slechts ter waarborging van een strafrechtelijke vordering die rechtens is vastgesteld en toegewezen in een veroordelend strafrechtelijk vonnis<footnote-ref linkend="_84c71ff8-8b1c-4932-9cd3-1e5170cc6e17" /> – en waarvoor het strafrecht dus een expliciete grondslag biedt.<footnote-ref linkend="_7daefcaa-01d3-4838-b7a6-6ebe1c844e5f" /> Voorts gaat het hier, anders dan in <emphasis role="italic">Staat/Tradman</emphasis>, om een civielrechtelijke bevoegdheid die naadloos aansluit op het publiekrechtelijke systeem en die een kennelijke omissie van de wetgever adresseert.<footnote-ref linkend="_6970b04d-addb-4525-a61f-f4ad6573880d" /> Hierbij is ook relevant dat de Staat, anders dan in <emphasis role="italic">Staat/Tradman</emphasis>, op basis van het publiekrecht wel reeds beschikt over vergelijkbare bevoegdheden. De Staat kan immers strafvorderlijk conservatoir beslag leggen voor vergelijkbare maatregelen.<footnote-ref linkend="_7a71ea5d-09d8-44a4-8553-7142ecd42653" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10</nr>
      <para>De strekking van het strafvorderlijke legaliteitsbeginsel is om de rechten van de verdachte te waarborgen, om rechtszekerheid te bevorderen en om willekeur te voorkomen. Het leggen van civielrechtelijk conservatoir beslag voor een kostenverhaalmaatregel is, mede gelet op hetgeen onder § 3.9 besproken, verenigbaar met voornoemde strekking. Hier komt bij dat het civielrechtelijke conservatoir beslag met voldoende wettelijke waarborgen – meer nog dan in het strafrecht<footnote-ref linkend="_efb1eb1d-76b5-4bb1-9c15-aa4f2cc21034" /> – is omkleed, zodat de rechten van de verdachte en de rechtszekerheid zijn gewaarborgd en van willekeur geen sprake kan zijn. Het enkele feit dat de mogelijkheid tot het leggen van conservatoir beslag voor een vordering uit hoofde van een kostenverhaalmaatregel niet met zoveel woorden in het Wetboek van Strafvordering is vermeld, is op zichzelf onvoldoende om te kunnen oordelen dat een dergelijk conservatoir beslag (in een geval als het onderhavige) niet is toegestaan. In art. 1 Sv moet immers geen “oproep tot star legisme” worden gelezen.<footnote-ref linkend="_85270661-375b-41ba-b88e-0990d4dbb6d3" /> Bij deze stand van zaken is de Staat dan ook van mening dat niet kan worden gezegd dat art. 1 Sv civielrechtelijk conservatoir beslag voor een vordering uit hoofde van een kostenverhaalmaatregel uitdrukkelijk uitsluit<footnote-ref linkend="_04ec372a-d02a-48d9-b630-26f3dbd968f6" /> of dat een dergelijk beslag het publiekrecht op onaanvaardbare wijze doorkruist.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Vrees voor verduistering</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De Staat heeft de gegronde vrees dat [naam 1] zijn woning zal verduisteren in de zin van art. 711 Rv. In het bijzonder vreest de Staat dat [naam 1] de Woning zal overdragen, zal bezwaren met een hypotheekrecht of dusdanig zal verwaarlozen dat de waarde hiervan daalt. Zoals gezegd, is aan [naam 1] een verplichting opgelegd tot betaling van een aanzienlijk geldbedrag aan de Staat. Daarin kan een reden voor [naam 1] gelegen zijn om zijn Woning te vervreemden en de opbrengst ervan weg te sluizen, opdat daarop te zijner tijd geen verhaal kan worden genomen voor de kostenverhaalmaatregel. Ervan uitgaande dat aan [naam 1] ook in hoger beroep een meerjarige gevangenisstraf zal worden opgelegd, zal hij gedurende langere tijd geen gebruik kunnen maken van zijn woning en zal hij beperkt worden in zijn mogelijkheid tot het vergaren van inkomsten. Ook daarom bestaat op zichzelf al het reële risico dat [naam 1] zal proberen om zijn Woning ten gelde te maken door deze te verkopen. Daarnaast is denkbaar dat [naam 1] zal proberen om financiering te verkrijgen door een tweede hypotheekrecht op zijn Woning te vestigen.<footnote-ref linkend="_5889d5cb-be8d-4349-9c8d-3658d1d8bf2c" /> In al deze gevallen zou de Staat in zijn verhaalsmogelijkheid worden geraakt. Indien conservatoir beslag is gelegd, kunnen dergelijke beschikkingshandelingen niet meer aan de Staat worden tegengeworpen.<footnote-ref linkend="_ae3aea1d-ccec-456e-9218-de9635c087dd" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Verder geldt dat zolang [naam 1] in voorlopige hechtenis zit, er een gerede kans bestaat dat in [naam 1] ’s afwezigheid de staat van de Woning dusdanig achteruit gaat, dat dit de waarde van de woning negatief beïnvloedt.<footnote-ref linkend="_a1cc83d7-5aef-450d-9346-9ef082635f56" /> Een conservatoir beslag op de Woning zou [naam 1] verplichten om die in goede staat te houden.<footnote-ref linkend="_cf2e8748-e88f-4c42-b5aa-540a1aa1793e" /> Voor zover dit niet gebeurt, kan de Staat de benoeming van een gerechtelijke bewaarder van de Woning verzoeken.<footnote-ref linkend="_b1f60fee-b65f-4b87-a201-144afce48eae" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit</title>
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <para>Het leggen van conservatoir beslag op de Woning is <emphasis role="italic">noodzakelijk</emphasis>, gelet op het feit dat de Staat geen (goederenrechtelijke) zekerheid heeft dat de vordering uit hoofde van de kostenverhaalmaatregel zal worden voldaan. De Staat is ook niet in de positie om betaling af te dwingen via verrekening. Bovendien bestaat er gegronde vrees dat [naam 1] niet zal betalen, vanwege het reële risico dat [naam 1] loopt op een langdurige gevangenisstraf, hetgeen een negatief effect zal hebben op zijn verdienvermogen.<footnote-ref linkend="_be5434dd-18e4-4bd7-869b-365a20ac4673" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <para>Het leggen van conservatoir beslag op de Woning is verder <emphasis role="italic">proportioneel</emphasis>, gelet op de omvang van de (begrote) geldvordering en de verwachte overwaarde op de Woning. De begrote geldvordering bedraagt namelijk € 126.976,92 en de overwaarde op de Woning bedraagt ten minste € 14.637,45,-,<footnote-ref linkend="_6312c2d9-2b8c-4509-a162-c0316b107024" /> doch naar alle waarschijnlijkheid (veel) meer dan dat. In dat verband is van belang dat in 2024 een (iets grotere) woning in dezelfde buurt is verkocht voor € 350.000,-.<footnote-ref linkend="_213df39d-61bc-4ee4-90ff-1bae41793a45" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Het enkele feit dat de (over)waarde van de Woning mogelijk groter is dan de begrote vordering betekent overigens nog niet dat een conservatoir beslag disproportioneel is. Zo kan het zijn dat de Staat een eventuele opbrengst nog moet delen met andere (preferente) schuldeisers die mogelijk ook beslag gaan leggen op de Woning.<footnote-ref linkend="_948e4052-6196-4213-8373-72fbcc1b6b19" /> Bovendien komt een eventueel restant van de executieopbrengst toe aan [naam 1] , als geëxecuteerde.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <para>Het leggen van conservatoir beslag op de Woning voldoet tot slot ook aan de eisen van <emphasis role="italic">subsidiariteit</emphasis>, omdat er geen andere vermogensbestanddelen van [naam 1] met een vergelijkbare verhaalswaarde bij de Staat bekend zijn. Bovendien staat een beslag op de Woning niet in de weg aan bewoning van de Woning door [naam 1] , voor zover hij überhaupt al in staat is om de Woning te bewonen, gelet op zijn voorlopige hechtenis. De impact van het conservatoire beslag blijft aldus beperkt voor [naam 1] .<footnote-ref linkend="_7769029c-c388-4d64-b8e3-74b077c712e4" /></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>6</nr>Hoofdzaak</title>
    <paragroup>
      <nr>6.1</nr>
      <para>Ten aanzien van de geldvordering is de hoofdzaak de strafzaak tegen [naam 1] met parketnummer 15/057092-2. Deze strafzaak is een hoofdzaak in de zin van art. 700 lid 3 Rv, omdat:<footnote-ref linkend="_5dc72490-3ded-4d90-bb21-2505e324eeb4" /></para>
      <para />
      <para>1. in deze strafrechtelijke procedure toetsing plaatsvindt van de gegrondheid en de omvang van de vordering waarvoor het beslag is gelegd;<footnote-ref linkend="_70956026-b470-47d7-99fd-7d6541782e64" /></para>
      <para>2. deze strafrechtelijke procedure gericht is tegen de schuldenaar van de vordering waarvoor beslag is gelegd;<footnote-ref linkend="_5c6f55b1-4aac-4825-a27b-344fab0eeadc" /></para>
      <para>3. deze strafrechtelijke procedure met voldoende waarborgen is omkleed;<footnote-ref linkend="_b20085d3-7506-457c-89c2-6195d931eff5" /></para>
      <para>4. deze strafrechtelijke procedure, ook zonder medewerking van de beslagene, kan leiden tot verkrijging van een executoriale titel.<footnote-ref linkend="_eb180082-afda-445f-ab0f-7563599f8697" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dat deze zaak niet bij de burgerlijke rechter aanhangig is, doet hier niet aan af.<footnote-ref linkend="_763a44c9-aa9e-434d-9800-b61dcf8a6bec" /></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vgl. HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8780 (<emphasis role="italic">A./Jongen &amp; Jongen</emphasis>) waarin de Hoge Raad oordeelde (1) dat de Belgische ‘<emphasis role="italic">plainte avec constitution de partie civile</emphasis>’ moet worden gelijkgesteld met het zich voegen als benadeelde partij in een Nederlandse strafprocedure, (2) dat dit een met voldoende waarborgen omklede procedure is en (3) dat dit dus een hoofdzaak is in de zin van art. 700 lid 3 Rv.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2</nr>
      <para>In de zaak met parketnummer 15/057092-2 heeft de Rechtbank het Vonnis gewezen. Tegen het Vonnis is door [naam 1] hoger beroep ingesteld, waardoor de hoofdzaak nog steeds loopt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3</nr>
      <para>Tegen deze achtergrond is het niet nodig om een termijn te bepalen voor het instellen van een eis in de hoofdzaak.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>7</nr>Door [naam 1] aangevoerde verweren tegen de vordering</title>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>In de strafzaak heeft [naam 1] via zijn raadsman verweer gevoerd tegen het opleggen van een maatregel tot kostenverhaal, zo blijkt uit rov. 6.2 van het Vonnis:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Ten aanzien van de maatregel kostenverhaal heeft de raadsman primair bepleit de vordering af te wijzen nu de vordering in het dossier niet is ondertekend. Subsidiair heeft de raadsman bepleit de vordering aanzienlijk te matigen nu niet duidelijk is dat de verdachte als medepleger van het produceren van de drugs kan worden beschouwd en er meerdere personen (o.a. [naam 2] ) bij het drugslab betrokken zijn. Uiterst subsidiair heeft de raadsman bepleit een tiende van de vordering toe te wijzen.</emphasis>”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Dit verweer is door de Rechtbank verworpen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat een vooraf door de officier van justitie ondertekende vordering geen vereiste is.<footnote-ref linkend="_148ab5e8-c606-49de-8fee-217be6ed07c8" /> Verder heeft de Rechtbank geoordeeld dat [naam 1] wel degelijk als medepleger kan worden gezien, aangezien er naar het oordeel van de Rechtbank sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam 1] en zijn medeverdachten.<footnote-ref linkend="_2312b6fa-3403-422e-9006-4c01ef02876e" /> Tot slot oordeelt de Rechtbank dat onvoldoende concreet is geworden dat er naast [naam 1] en zijn medeverdachten nog anderen bij het drugslaboratorium betrokken zouden zijn geweest, waardoor er naar het oordeel van de Rechtbank geen aanleiding is voor vermindering van het bedrag dat [naam 1] moet vergoeden.<footnote-ref linkend="_038f0eda-e033-442f-a16e-ec2a7c2f10e2" /> De Staat sluit zich in dit beslagrekest aan bij deze oordelen en verwijst naar het Vonnis.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>De raadsman van [naam 1] heeft in de strafzaak in meer algemene zin gepleit tot vrijspraak ten aanzien van alle drie ten laste gelegde feiten. Voor de inhoud van de verweren van [naam 1] hieromtrent en de verwerping van deze verweren door de Rechtbank verwijst de Staat naar het Vonnis. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>8</nr>Bevoegdheid</title>
    <para>De voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag is ingevolge art. 700 lid 1 Rv bevoegd om op dit verzoekschrift te beslissen, nu het beslagobject zich in Den Haag bevindt.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">REDEN WAAROM</emphasis>
      </para>
      <para>De Staat zich wendt tot de voorzieningenrechter met het verzoek:</para>
    </parablock>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>de (hiervoor onder 1.5 omschreven) vordering van de Staat op [naam 1] met inbegrip van renten en kosten voorlopig te begroten op € 126.976,92 (zegge: honderdzesentwintigduizend negenhonderdzesenzeventig euro en tweeënnegentig eurocent);</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de Staat verlof te verlenen conservatoir beslag te leggen op het appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitend gebruik van de woning gelegen te [adres 1] , [postcode] , [plaats 1] , althans het aandeel van [naam 1] hierin;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het verlof uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Den Haag, 7 maart 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Advocaat	</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Toegestaan als verzocht met begroting van de vordering, inclusief rente en kosten, op € 126.976,92 (zegge: honderdzesentwintigduizend negenhonderdzesenzeventig euro en tweeënnegentig cent).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Den Haag, 11 maart 2025</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Voorzieningenrechter							Griffier</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. D.R. Glass</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Producties</emphasis>
      </para>
      <para>Ter ondersteuning van de inhoud van dit verzoekschrift, levert de Staat de volgende producties aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Productie 1</emphasis>:	Vonnis Rechtbank Noord-Holland 21 oktober 2024, parketnummer 15/057092-24 (P)</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Productie 2</emphasis>:	Kostenoverzicht en factuur van [bedrijfsnaam] B.V.</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Productie 3</emphasis>:	Kennisgeving van inbeslagname</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Productie 4</emphasis>:	Proces-verbaal van conservatoir beslag onder de verdachte (model A)</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Productie 5</emphasis>:	Kadastrale eigendomsinformatie [kadastrale aanduiding 1] d.d. 27 januari 2025</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Productie 6</emphasis>:	Hypotheekgegevens van [naam 1]</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Productie 7</emphasis>:	WOZ-waarde van de [adres 1] , [postcode] , [plaats 1]</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Productie 8</emphasis>:	Kadastrale eigendomsinformatie [kadastrale aanduiding 2] d.d. 21 november 2024</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_add62b59-95ba-4e0a-bdf4-19dae4824cbe" label="1">
    <para> 	Zie rov. 6.3 van het Vonnis.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_27a2528e-1ffc-4436-97ce-9c1bd1c0a792" label="2">
    <para> 	Zie art. 6:1:16 lid 1 Sv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bc7baa9-1ff6-484f-9575-d28803db539b" label="3">
    <para> 	Meer bijzonder gaat het om 13 biljetten van € 50,-, vier biljetten van € 20,-, negen biljetten van € 5,- en twee biljetten van € 10,-. Zie de Kennisgeving van inbeslagname (<emphasis role="bold underline">productie 3</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1b07d4fd-15ba-44b4-9f71-1ddac17f8ca6" label="4">
    <para> 	Zie het Proces-verbaal van conservatoir beslag onder de verdachte (model A) (<emphasis role="bold underline">productie 4</emphasis>). In eerste instantie was het contante geld in beslag genomen op grond van art. 94 lid 1 Sv met als doel waarheidsvinding (zie <emphasis role="bold underline">productie 3</emphasis>). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9831eca2-cef9-432c-95c8-1789a7fdb4ec" label="5">
    <para> 	Stb. 2021, 544.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9431fc4b-2ff3-4a92-a4c5-53bb4ca3f7c3" label="6">
    <para> 	Vergelijkbare maatregelen zijn opgenomen in art. 8 sub d Wet op de economische delicten en art. 56a Wet wapens en munitie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_69891108-b7f7-43c1-aa42-64ecb530e7a1" label="7">
    <para> 	Toen nog op voet van art. 94a lid 3 Sv (oud).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a7c7a2a0-b637-4e17-b6fa-b93c8d55bb3b" label="8">
    <para> 	HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9629, rov. 3.4.3 (<emphasis role="italic">Staat/S.</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2cf9e0c4-0d3f-4329-b2cd-c7b500c63d12" label="9">
    <para> 	Vgl. HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965, rov. 3.2 (<emphasis role="italic">Windmill</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8b917bcd-479e-4c5e-b1c1-c314a5162f6b" label="10">
    <para> 	Zie art. 94c sub a, b en c Rv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2a891337-d953-4f49-9c27-5c17e46d406c" label="11">
    <para> 	Zie over de verwantschap tussen de kostenverhaalmaatregel en de ontnemingsmaatregel, bijvoorbeeld ten aanzien van de matigingsbevoegdheid, de tenuitvoerlegging, de innings- en incassomiddelen en het reparatoire karakter van de maatregel: <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2019/20, 35 564, nr. 3, p. 20-21, 21, 43, 44; <emphasis role="italic">Kamerstukken II</emphasis>, 2020/21, 35 564, nr. 6, p. 24.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_84c71ff8-8b1c-4932-9cd3-1e5170cc6e17" label="12">
    <para> 	Alsmede ter waarborging van een vordering uit hoofde van een eventueel in hoger beroep op te leggen kostenverhaalmaatregel. Zie §1.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7daefcaa-01d3-4838-b7a6-6ebe1c844e5f" label="13">
    <para> 	Namelijk art. 13d Opiumwet.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6970b04d-addb-4525-a61f-f4ad6573880d" label="14">
    <para> 	Zie § 3.6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a71ea5d-09d8-44a4-8553-7142ecd42653" label="15">
    <para> 	Zie § 3.1.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_efb1eb1d-76b5-4bb1-9c15-aa4f2cc21034" label="16">
    <para> 	Zie § 3.5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_85270661-375b-41ba-b88e-0990d4dbb6d3" label="17">
    <para> 	B.F. Keulen &amp; G. Knigge, <emphasis role="italic">Strafprocesrecht</emphasis>, Deventer: Wolters Kluwer 2024/1.4.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_04ec372a-d02a-48d9-b630-26f3dbd968f6" label="18">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Asser/Sieburgh 6-IV</emphasis> 2023/147.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5889d5cb-be8d-4349-9c8d-3658d1d8bf2c" label="19">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Asser Procesrecht/Steneker 5</emphasis> 2023/190. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_ae3aea1d-ccec-456e-9218-de9635c087dd" label="20">
    <para> 	Zie art. 707 Rv jo. art. 726 lid 1 Rv jo. art. 505 lid 2 Rv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a1cc83d7-5aef-450d-9346-9ef082635f56" label="21">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Asser Procesrecht/Steneker 5</emphasis> 2023/191.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf2e8748-e88f-4c42-b5aa-540a1aa1793e" label="22">
    <para> 	Art. 707 Rv jo. art. 726 lid 1 Rv jo. art. 506 lid 1 Rv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b1f60fee-b65f-4b87-a201-144afce48eae" label="23">
    <para> 	Art. 707 Rv jo. 726 lid 1 Rv jo. art. 506 lid 2 Rv.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_be5434dd-18e4-4bd7-869b-365a20ac4673" label="24">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Asser Procesrecht/Steneker 5</emphasis> 2023/185.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6312c2d9-2b8c-4509-a162-c0316b107024" label="25">
    <para> 	Dit blijkt enerzijds uit de op grond van art. 126nd Sv gevorderde hypotheekgegevens waaruit een resterende schuld van € 191.362,55 blijkt (<emphasis role="bold underline">productie 6</emphasis>), en anderzijds uit de conservatieve WOZ-waarde per 1 januari 2024 à € 206.000,- (<emphasis role="bold underline">productie 7</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_213df39d-61bc-4ee4-90ff-1bae41793a45" label="26">
    <para> 	Zie het als <emphasis role="bold underline">productie 8</emphasis> overgelegde uittreksel uit het kadaster ten aanzien van deze woning.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_948e4052-6196-4213-8373-72fbcc1b6b19" label="27">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Asser Procesrecht/Steneker 5</emphasis> 2023/186.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7769029c-c388-4d64-b8e3-74b077c712e4" label="28">
    <para> 	Vgl. <emphasis role="italic">Asser Procesrecht/Steneker 5</emphasis> 2023/187.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5dc72490-3ded-4d90-bb21-2505e324eeb4" label="29">
    <para>
      <emphasis role="italic">Asser Procesrecht/Steneker 5</emphasis> 2023/220-223.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_70956026-b470-47d7-99fd-7d6541782e64" label="30">
    <para> 	Vgl. HR 26 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2861, rov. 3.4.2 (<emphasis role="italic">Ajax/Reule</emphasis>); HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347, rov. 3.6 (<emphasis role="italic">Ontvanger/Heemhorst</emphasis>); HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:773, rov. 3.4.2 (<emphasis role="italic">Avonwick/VI</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5c6f55b1-4aac-4825-a27b-344fab0eeadc" label="31">
    <para> 	Vgl. HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:164, rov. 3.2.3 (<emphasis role="italic">Earth Concepts/Upstream Advertising</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b20085d3-7506-457c-89c2-6195d931eff5" label="32">
    <para> 	Vgl. HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347 (<emphasis role="italic">Ontvanger/Heemhorst</emphasis>); HR 21 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8780, rov. 3.3 (<emphasis role="italic">A./Jongen &amp; Jongen</emphasis>); HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:773, rov. 3.4.3 (<emphasis role="italic">Avonwick/VI</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb180082-afda-445f-ab0f-7563599f8697" label="33">
    <para> 	Vgl. HR 26 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2861, rov. 3.4.2 (<emphasis role="italic">Ajax/Reule</emphasis>); HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347, rov. 3.4 (<emphasis role="italic">Ontvanger/Heemhorst</emphasis>); HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6082, rov. 3.3.3 (<emphasis role="italic">HCB/DHV</emphasis>); HR 25 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:773, rov. 3.4.2 (<emphasis role="italic">Avonwick/VI</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_763a44c9-aa9e-434d-9800-b61dcf8a6bec" label="34">
    <para> 	HR 3 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0347, rov. 3.3 (<emphasis role="italic">Ontvanger/Heemhorst</emphasis>).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_148ab5e8-c606-49de-8fee-217be6ed07c8" label="35">
    <para> 	Zie het Vonnis rov. 6.3.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2312b6fa-3403-422e-9006-4c01ef02876e" label="36">
    <para> 	Zie het Vonnis, rov. 3.3.2.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_038f0eda-e033-442f-a16e-ec2a7c2f10e2" label="37">
    <para> 	Zie het Vonnis rov. 6.3.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>