<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:11861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-04T14:46:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.27876</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11861">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-04T14:46:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:11861 Rechtbank Den Haag , 04-07-2025 / NL25.27876</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11861:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring – machtiging tot binnentreden niet tijdig ondertekend – gebrek in voortraject – proceskosten – beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11861:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.27876</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. F. Boone),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. K. Kanters).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_37beb22e-3bb9-4cee-821f-8c80d9b6b27a" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen, omdat hij voorafgaand aan de zitting op 2 juli 2025 per vliegtuig is overgedragen aan Bulgarije. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2001 en de Syrische nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Machtiging tot binnentreden</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat niet in overeenstemming met de Awbi<footnote-ref linkend="_ab0c8f29-9cfc-4793-9997-9850379d3375" /> is binnengetreden in zijn kamer. De handtekening onder de machtiging tot binnentreden kan niet geverifieerd worden, waardoor niet duidelijk is of deze is getekend voorafgaand aan het binnentreden. Daarnaast blijkt uit het verslag van het binnentreden niet dat de verbalisanten aan eiser kenbaar hebben gemaakt wie zij zijn en wat het doel was van hun komst. Verder had verbalisant [verbalisant] zich dienen te legitimeren omdat de machtiging aan haar is afgegeven, maar in het formulier M105 wordt een andere verbalisant genoemd.</para>
    <para />
    <para>3. Uit het formulier M105 blijkt verbalisant [verbalisant] tezamen met andere verbalisanten op 19 juni 2025 om 7:14 uur voor kamer [nummer 1] van gebouw [nummer 2] van het AZC Ter Apel stonden om deze te betreden. Daarnaast is beschreven dat verbalisant [verbalisant] het proces-verbaal van binnentreden heeft opgemaakt en dat verbalisant [verbalisant] , na het binnentreden, eiser heeft overgedragen aan verbalisant 1 ( [verbalisant 1] ). Verder blijkt uit het formulier M105 dat verbalisant 1 zich gelegitimeerd heeft en het doel van zijn komst bekend heeft gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank geeft deze gang van zaken geen blijk van een gebrek.</para>
    <para />
    <para>4. Ten aanzien van de machtiging tot binnentreden is gebleken dat deze op een later tijdstip is ondertekend dan is binnengetreden in de kamer van eiser. Dit betekent dat op het moment van binnentreden geen sprake was van een geldige machtiging tot binnentreden. Dit is eveneens een gebrek.</para>
    <para />
    <para>5. Zoals uit jurisprudentie van de Afdeling<footnote-ref linkend="_a25774b0-6e52-47c7-89a6-4df567680a5d" /> volgt, maakt een gebrek in het voortraject de daaropvolgende inbewaringstelling pas onrechtmatig indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.<footnote-ref linkend="_88ce8798-ec0a-48cc-881c-43b96dbd01d4" /> Daarnaast volgt uit jurisprudentie van de Afdeling dat van zwaarwegende belangen aan de kant van verweerder sprake kan zijn indien de vreemdeling daadwerkelijk op korte termijn kan worden uitgezet of het risico dat het voornemen tot uitzetting niet kan worden gerealiseerd onaanvaardbaar moet worden geacht.<footnote-ref linkend="_42ac0bbc-c98e-4db4-a1db-12e2bd5c8983" /></para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging in dit geval in het voordeel van verweerder uitvalt. Daarbij betrekt de rechtbank dat het de bedoeling was om een machtiging tot binnentreden op te maken en dat deze uiteindelijk ook is afgegeven. Ook heeft eiser niet toegelicht hoe hij in zijn belangen is geschaad. Daarnaast is eiser binnen twee weken na de inbewaringstelling overgedragen aan Bulgarije. Het gebrek in het voortraject maakt de bewaring in dit geval daarom niet onrechtmatig.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Uit de motivering van de maatregel en uit de overige stukken in het dossier volgt dat eiser internationale bescherming geniet in Bulgarije. Verder volgt uit de maatregel dat de voor de terugkeer naar Bulgarije noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, zodat verweerder op grond van artikel 59, </para>
    <para>tweede lid, van de Vw bevoegd was tot het opleggen van de maatregel. Hierbij wordt aangenomen dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling vordert. Dit rechtsvermoeden hoeft in beginsel niet aan de hand van persoonlijke feiten en omstandigheden te worden gemotiveerd.<footnote-ref linkend="_cadeda3a-0f7b-4d2c-bd10-07845d7fbf98" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>10. Gelet op het geconstateerde gebrek bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 4 juli 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_37beb22e-3bb9-4cee-821f-8c80d9b6b27a" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ab0c8f29-9cfc-4793-9997-9850379d3375" label="2">
    <para> Algemene wet op het binnentreden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a25774b0-6e52-47c7-89a6-4df567680a5d" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_88ce8798-ec0a-48cc-881c-43b96dbd01d4" label="4">
    <para>  Zie onder meer ECLI:NL:RVS:2004:AS4591.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_42ac0bbc-c98e-4db4-a1db-12e2bd5c8983" label="5">
    <para> ECLI:NL:RVS:2015:1595.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cadeda3a-0f7b-4d2c-bd10-07845d7fbf98" label="6">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:667.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>