<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:11837</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-10T10:10:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.48494 en NL24.48497</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11837">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11837</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-10T10:10:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:11837 Rechtbank Den Haag , 17-04-2025 / NL24.48494 en NL24.48497</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11837:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8:57 Awb - Vaststelling geen verblijfsrecht EU-onderdaan - Daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf bij zwervend bestaan - belangenafweging vertrektermijn - beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11837:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.48494 en NL24.48497</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, <emphasis role="bold">voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Bij besluit van 3 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht en bepaald dat eiser binnen een maand Nederland dient te verlaten. Bij besluit van 21 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit kennelijk ongegrond verklaard.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>2. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.<footnote-ref linkend="_6b55ef5b-7349-48a2-a30f-454ebbac64ef" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser is geboren [geboortedatum] 1994 en heeft de Poolse nationaliteit. Uit onderzoek van de politie is gebleken dat eiser een zwervend bestaan leidt in Nederland, vaak in aanraking is gekomen met de politie vanwege overlast op straat, meermaals is aangehouden wegens vermogensdelicten, sinds januari 2024 geen reële en daadwerkelijke arbeid meer verricht in Nederland en geen eigen middelen van bestaan heeft. Ook is niet gebleken dat eiser op zoek is naar werk en daarop een reële kans maakt.</para>
    <para />
    <para>4. Gelet op deze feiten en omstandigheden heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht.<footnote-ref linkend="_ba1f5ee2-bde6-4c9c-b01c-ed44fdcffd9b" /> Verweerder heeft daarom aan eiser een verwijderingsmaatregel opgelegd. Daarbij heeft verweerder een belangenafweging gemaakt en het belang van eiser om in Nederland te blijven minder zwaar laten wegen dan het belang van de Nederlandse samenleving bij verwijdering van eiser. Verweerder heeft eiser een vertrektermijn van een maand opgelegd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft in de belangenafweging onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiser. Eiser stelt dat de verwijderingsmaatregel disproportioneel is en niet in verhouding is met de tijd (2019, 2022, 2023 en 2024) dat hij in Nederland heeft gewerkt. In de periode zonder werk heeft hij geen beroep gedaan op de algemene middelen. Daarnaast stelt eiser dat de verwijderingsmaatregel onduidelijk is en in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en de beginselen van het recht van de Europese Unie. Eiser moet zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief beëindigen om een nieuw verblijfsrecht te krijgen of bij terugkeer naar Nederland een nieuwe vrije termijn te genieten.<footnote-ref linkend="_996bf3e4-d500-47ed-ba51-ccbcaf47c53f" /> Verweerder heeft niet uitgelegd op welke manier eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief kan beëindigen en onder welke omstandigheden hij terug kan keren naar Nederland. Hierdoor is het voor eiser niet duidelijk hoe hij kan voldoen aan het besluit. Verweerder heeft een actieve informatieplicht hierover. Tot slot heeft verweerder bij het opleggen van de vertrektermijn van één maand ten onrechte geen belangenafweging gemaakt en niet uitgelegd waarom de vertrektermijn één maand is en niet langer.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hieronder motiveert de rechtbank hoe zij tot dit oordeel is gekomen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Belangenafweging verwijderingsmaatregel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter<footnote-ref linkend="_107f5a1f-cce5-4ca2-a53e-11a508f76682" /> volgt dat verweerder een belangenafweging moet maken als hij vaststelt dat een gemeenschapsonderdaan geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, omdat aan deze vaststelling een verwijderingsmaatregel in de zin van de Verblijfsrichtlijn<footnote-ref linkend="_72be0a76-9593-48c7-83d9-0d1cd3f9d992" /> is verbonden. </para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de belangenafweging bij de verwijderingsmaatregel niet ten onrechte in het nadeel van eiser laten uitvallen. Hierbij heeft verweerder het niet voldoen aan het bepaalde in artikel 8.12 van het Vb 2000 zwaar in het nadeel van eiser mogen laten meewegen. Vast staat namelijk dat eiser momenteel geen economische activiteiten in Nederland verricht, niet onvrijwillig werkloos is geworden en ook niet aantoonbaar op zoek is naar werk. Daarbij heeft eiser geen gezins- en familieleven in Nederland en geen vaste woon- of verblijfplaats. In tegenstelling tot wat eiser vindt, maken de enkele omstandigheden ten voordele van eiser – een arbeidsverleden in Nederland en het feit dat hij tot op heden geen beroep op het sociale zekerheidsstelsel heeft gedaan - niet dat de belangenafweging in het voordeel van eiser had moeten uitvallen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>8. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder eiser voldoende heeft geïnformeerd over de wijze waarop eiser zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1.</nr>
      <para>Uit artikel 30, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 15, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn volgt dat een verwijderingsmaatregel op zodanige wijze schriftelijk ter kennis moet worden gebracht, dat de betrokkene in staat is om de inhoud en de gevolgen hiervan te begrijpen. Verweerder heeft een openbare werkinstructie, te weten WI 2023/3, waarin uiteengezet wordt welke elementen van belang zijn bij het daadwerkelijk en effectief beëindigen van het verblijf. Dit zijn dezelfde elementen die in het arrest F.S. zijn opgenomen, namelijk: de duur van de afwezigheid, een verzoek om schrapping uit het bevolkingsregister, de beëindiging van een huurovereenkomst, uitschrijving bij een dienst om arbeidsbemiddeling of de beëindiging van andere relaties die een zekere integratie van de Unieburger in Nederland veronderstellen. Het arrest F.S. en de openbare werkinstructie bieden voldoende houvast om te weten welke elementen een rol spelen bij de beoordeling of het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2.</nr>
      <para>De rechtbank begrijpt dat voor dakloze personen zoals eiser veel van de elementen uit het arrest F.S. niet van toepassing zijn, maar dit betekent niet dat het voor eiser onduidelijk is hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen. Uit het arrest F.S. volgt ook dat rekening moet worden gehouden met aanwijzingen dat de Unieburger tijdens de periode van afwezigheid het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar een andere lidstaat heeft overgebracht. Naar het oordeel van de rechtbank zou dan in deze gevallen minder gewicht kunnen toekomen aan het verplaatsen van de belangen van eiser uit Nederland en meer gewicht aan het plaatsen van zijn belangen naar het buitenland. Het valt niet uit te sluiten dat iemand zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen door bijvoorbeeld een inschrijving in het bevolkingsregister of het aangaan van een huurovereenkomst in het buitenland.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3.</nr>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank is het niet mogelijk voor verweerder om de elementen die in het arrest F.S. genoemd zijn nader te specificeren bij het opleggen van de verwijderingsmaatregel, omdat er geen uitputtende lijst van voorbeelden kan worden gegeven. Een dergelijke verplichting daartoe volgt ook niet uit het arrest F.S. Daarbij komt dat een eventueel nieuw verblijf van eiser in Nederland een onzekere toekomstige gebeurtenis is. Eiser heeft immers Nederland nog niet verlaten en de toets of zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd, vindt pas plaats wanneer hij eerst Nederland zou verlaten en vervolgens terug zou keren en hier opnieuw zou willen verblijven. Deze toets is casuïstisch van aard en hangt af van de omstandigheden op dat moment.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.4.</nr>
      <para>Voor de volledigheid overweegt de rechtbank nog dat er, naast het daadwerkelijk en effectief beëindigen van zijn verblijf in Nederland, nog een tweede manier is voor eiser om weer rechtmatig verblijf te krijgen in Nederland. Zodra eiser voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit, heeft hij van rechtswege weer rechtmatig verblijf. Het verwijderingsbesluit is dan niet meer van kracht.<footnote-ref linkend="_1abcdbf1-e49b-4628-86fc-23eba94d0383" /></para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Belangenafweging bij vertrektermijn</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>9. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze beroepsgrond niet slagen. In het arrest F.S. staat dat de vertrektermijn niet korter mag zijn dan één maand, maar het arrest vermeldt niet dat bij het opleggen van de vertrektermijn van één maand een belangenafweging moet worden gemaakt waarbij verweerder moet uitleggen waarom die termijn één maand is en niet langer.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond. </para>
    <para />
    <para>11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt ook buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_8170ee2e-db62-4eba-acb2-6d1133a89f39" />.</para>
    <para />
    <para>12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. A. Drageljević, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep</para>
      <para>of verzet open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6b55ef5b-7349-48a2-a30f-454ebbac64ef" label="1">
    <para> Zie artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_ba1f5ee2-bde6-4c9c-b01c-ed44fdcffd9b" label="2">
    <para> Zoals beschreven in artikel 8.12, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_996bf3e4-d500-47ed-ba51-ccbcaf47c53f" label="3">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 22 juni 2021, C-719/19, ECLI:EU:C:2021:506 (Arrest F.S.)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_107f5a1f-cce5-4ca2-a53e-11a508f76682" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 11 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:412.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_72be0a76-9593-48c7-83d9-0d1cd3f9d992" label="5">
    <para> Richtlijn 2004/38 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1abcdbf1-e49b-4628-86fc-23eba94d0383" label="6">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1510.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8170ee2e-db62-4eba-acb2-6d1133a89f39" label="7">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>