<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:11664</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-02T14:54:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-07-01</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.26461</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11664">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11664</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-02T14:53:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:11664 Rechtbank Den Haag , 01-07-2025 / NL25.26461</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11664:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Maatregel van bewaring – buiten zitting - artikel 59 Vreemdelingenwet – ongegrond – geen proceskostenvergoeding.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11664:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.26461</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,V-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Deniz),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. H. Toonders).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft verzocht om een schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 18 juni 2025 de beroepsgronden ingediend, waarna verweerder op dezelfde datum een verweerschrift heeft ingediend. De rechtbank heeft op 27 juni 2025 het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Het staat vast dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Gelet hierop was verweerder bevoegd tot het opleggen van de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van de Vw.</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <para>3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. <?linebreak?>Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_bee29e52-eb44-4e03-a29e-1a0325545a98" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?>- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;<?linebreak?>- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<?linebreak?>- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;<?linebreak?>- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;<?linebreak?>- 3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;<?linebreak?>- 3f. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;<?linebreak?>- 3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;<?linebreak?>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_2e280675-2bdf-4504-8a15-265b3fd06496" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?>- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;<?linebreak?>- 4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;<?linebreak?>- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;<?linebreak?>- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet betwist. De rechtbank stelt vast dat deze gronden feitelijk juist zijn en voor zover nodig (lichte gronden) voldoende zijn toegelicht. </para>
    <para />
    <para>5. Eiser verzoekt de rechtbank om te toetsen of sprake is van zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. Hij verwijst in dat verband naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit volgt dat in 2020 geen laissez-passers zijn verstrekt én geen uitzettingen hebben plaatsgevonden.<footnote-ref linkend="_f0ac7bf8-05d7-442b-9f25-ea4c64fb169b" /></para>
    <para />
    <para>6. Volgens vaste rechtspraak bestaat er in zijn algemeenheid zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn.<footnote-ref linkend="_42c0adf3-6aba-4e7d-9c00-7d1922e94cb7" /> Daarbij heeft verweerder in zijn verweerschrift aan de hand van concrete cijfers aangetoond dat in 2024 nationaliteitsbevestigingen hebben plaatsgevonden, laissez-passers zijn verstrekt en uitzettingen naar Marokko zijn gerealiseerd. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat er geen reden is om te veronderstellen dat in het geval van eiser geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. Eiser heeft geen andere feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat het zicht op uitzetting is komen te ontbreken. De Marokkaanse autoriteiten hebben niet te kennen gegeven dat zij voor eiser geen laissez-passer zullen afgeven. </para>
    <para />
    <para>7. Ook overigens is niet gebleken dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.</para>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 2 juli 2025 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_bee29e52-eb44-4e03-a29e-1a0325545a98" label="1">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e280675-2bdf-4504-8a15-265b3fd06496" label="2">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f0ac7bf8-05d7-442b-9f25-ea4c64fb169b" label="3">
    <para> Uitspraken van 2 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:698, 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829 en 28 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3265.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_42c0adf3-6aba-4e7d-9c00-7d1922e94cb7" label="4">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 januari 2025, met het kenmerk ECLI:NL:RVS:2025:219.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>