<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:11587</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-01T15:12:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.19890</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11587">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11587</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-01T15:10:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:11587 Rechtbank Den Haag , 30-06-2025 / NL25.19890</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11587:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Duitsland. Verantwoordelijkheid in geschil. Ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11587:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.19890</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. R.E.J.M. van den Toorn),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 april 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.<footnote-ref linkend="_4677856b-ca81-4673-b23f-233f1f16d7b3" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 16 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2000 en de Pakistaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 5 februari 2025 een asielaanvraag ingediend.</para>
    <para />
    <para>2. Bij het besteden besluit heeft verweerder eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 2 januari 2024 is Duitsland een asielaanvraag heeft ingediend. Op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_6ffb9f5f-9254-45d3-afba-5c7bc361d35b" /> is Duitsland verantwoordelijk voor de asielaanvraag. Nederland heeft op grond hiervan een verzoek om terugname gedaan. Op 24 maart 2025 heeft Duitsland het verzoek aanvaard, waarmee de verantwoordelijkheid van Duitsland vaststaat.<footnote-ref linkend="_99c8f18a-a4c0-4951-8214-08200f9e1f70" /></para>
    <para />
    <para>3. Eiser betwist de verantwoordelijkheid van Duitsland. Duitsland heeft op 11 maart 2025 het terugnameverzoek afgewezen, waarna het terugnameverzoek op 24 maart 2025 alsnog is aanvaard. Verweerder heeft geen verzoek om heroverweging ingediend en nergens blijkt uit dat sprake was van een beoordelingsfout, zodat verweerder de aanvaarding naast zich neer had moeten leggen en hem in de nationale procedure had moeten opnemen, aldus eiser. Ter zitting voert eiser aan dat ten aanzien van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In Duitsland vinden op dit moment grenscontroles plaats. Deze zijn door een Duitse rechtbank veroordeeld en die uitspraak wordt door de regering genegeerd. Om die reden kan eiser er niet op vertrouwen dat hij eventueel kan klagen bij de Duitse autoriteiten dan wel ervan uit kan gaan dat gevolg zal worden gegeven aan uitspraken die hem aangaan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft eisers asielaanvraag niet in behandeling hoeven nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Daarbij volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder de aanvaarding van het terugnameverzoek naast zich heeft moeten neerleggen. Duitsland heeft namelijk het terugnameverzoek alsnog binnen de termijn van artikel 5, tweede lid, van de Uitvoeringsverordening<footnote-ref linkend="_eb508879-0c71-4fe1-b9db-25da6ca60fe9" /> geaccepteerd, zodat verweerder geen heroverwegingsverzoek meer heeft hoeven indienen op grond van dit artikel. Ter zitting heeft verweerder ook aangegeven dat dit artikel verder niet van toepassing is en in het bestreden besluit niet genoemd had hoeven worden. Duitsland heeft het terugnameverzoek aanvaard, zodat de verantwoordelijkheid daarmee vaststaat.</para>
    <para />
    <para>5. Verder mag verweerder er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in beginsel vanuit gaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen nakomt. Uit jurisprudentie van de Afdeling<footnote-ref linkend="_341b40db-2231-4054-94a3-b6b690820f8f" /> volgt dat verweerder ten aanzien van Duitsland mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.<footnote-ref linkend="_fafc7819-c867-4ca1-8925-501fd569c4a1" /> Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in zijn geval anders is en dat in Duitsland sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure of de opvangvoorzieningen die ernstige, op feiten berustende, gronden vormen om aan te nemen dat eiser daar een reëel risico zal lopen op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest<footnote-ref linkend="_f01d61b6-e71c-4cfd-88c4-cce180098bdf" /> en artikel 3 van het EVRM.<footnote-ref linkend="_c43e9c77-3569-4d2f-b9a9-76228ffc2d71" /> Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.<footnote-ref linkend="_75ef23cd-d798-45a8-b179-06e56d790d6d" /> Eiser is er niet in geslaagd dit aannemelijk te maken. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat Duitsland de internationale verplichtingen niet nakomt. De enkele stelling dat de regering geen gevolg heeft gegeven aan een uitspraak van een Duitse rechter is daarvoor onvoldoende. Immers blijkt daaruit niet dat de Duitse autoriteiten vaker rechterlijke uitspraken naast zich neerleggen, laat staan dat sprake is van structurele tekortkomingen. Ook is niet onderbouwd dat die situatie enige invloed heeft op Dublinterugkeerders. Verder hebben de Duitse autoriteiten met de aanvaarding van het terugnameverzoek gegarandeerd eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Mocht eiser na overdracht aan Duitsland van mening zijn dat Duitsland zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Duitsland te klagen bij de (hogere) autoriteiten. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Duitsland hem niet zouden kunnen of willen helpen. </para>
    <para />
    <para>6. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht eisers asielaanvraag niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 30 juni 2025 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4677856b-ca81-4673-b23f-233f1f16d7b3" label="1">
    <para> Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ffb9f5f-9254-45d3-afba-5c7bc361d35b" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_99c8f18a-a4c0-4951-8214-08200f9e1f70" label="3">
    <para> Op grond van artikel 25, eerste lid, van de Dublinverordening.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eb508879-0c71-4fe1-b9db-25da6ca60fe9" label="4">
    <para> Verordening (EG) nr. 1560/2003.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_341b40db-2231-4054-94a3-b6b690820f8f" label="5">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_fafc7819-c867-4ca1-8925-501fd569c4a1" label="6">
    <para> ABRvS 14 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:588.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f01d61b6-e71c-4cfd-88c4-cce180098bdf" label="7">
    <para> Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c43e9c77-3569-4d2f-b9a9-76228ffc2d71" label="8">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_75ef23cd-d798-45a8-b179-06e56d790d6d" label="9">
    <para> HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>