<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:11454</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-08T15:47:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.24845 en NL25.24846</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11454">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:11454</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-08T15:47:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:11454 Rechtbank Den Haag , 19-06-2025 / NL25.24845 en NL25.24846</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11454:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, bz, Duitsland, ongegrond, grondslag voor overdracht, interstatelijk vertrouwensbeginsel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:11454:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL25.24845 (beroep) en NL25.24846 (voorlopige voorziening)</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</title>
    <para>(gemachtigde: mr. C.M.E. Schreinemacher),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 juni 2025 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Geen zitting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond.<footnote-ref linkend="_edc182bc-44d5-4941-a32b-83297a52d268" /> Hieronder legt de rechtbank dit uit.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt de Tunesische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1999 geboren te zijn. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser stelt dat er geen grondslag is om overgedragen te worden aan Duitsland. Eiser heeft in Duitsland geen asiel aangevraagd. Opname in Eurodac kan ook plaatsvinden wanneer er een andere reden is om de gegevens in te voeren in Eurodac dan een asielaanvraag. De vingerafdrukken van eiser zijn onder dwang afgenomen en dat hield geen verband met een asielverzoek. Nederland is het enige land waar eiser asiel heeft aangevraagd. Eiser kreeg in Duitsland geen eten en drinken in de opvang. Het had geen zin om hierover te klagen, want eiser zat niet in een asielprocedure. Mocht eiser wel in een asielprocedure hebben gezeten, dan heeft Duitsland in strijd gehandeld met de Opvangrichtlijn. Eiser is onmenselijk behandeld, waardoor er sprake is van een behandeling in strijd met het Handvest<footnote-ref linkend="_09aaeb02-aad6-4889-afa8-12e0677a1eb4" /> en het EVRM.<footnote-ref linkend="_74f674cc-a8e3-45af-ac57-010d83f43eca" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Grondslag voor overdracht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank gaat niet mee in eisers stelling dat er geen grondslag bestaat voor een overdracht aan Duitsland. Uit het Eurodac rapport van 23 april 2025 blijkt dat eiser op 11 april 2024 asiel heeft aangevraagd in Duitsland. Uit vaste jurisprudentie<footnote-ref linkend="_5962f112-fd39-49f4-80e7-56230c59fdbf" /> volgt dat verweerder in beginsel mag afgaan op informatie uit Eurodac over de verantwoordelijkheid van een andere lidstaat. Verweerder heeft op 4 mei 2025 aan Duitsland verzocht om eiser op grond van artikel 18, lid 1, onder d, van de Dublinverordening terug te nemen. Duitsland heeft het claimakkoord op 9 mei 2025 gegeven. Hieruit blijkt dat eisers asielaanvraag in Duitsland in behandeling is genomen en is afgewezen. Eisers stelling dat er geen sprake is geweest van een asielprocedure gaat dus niet op. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Interstatelijk vertrouwensbeginsel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien eiser om te beginnen aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest.</para>
    <para />
    <para>7. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De Afdeling<footnote-ref linkend="_7879e8ad-0fb0-4d76-a56e-89ed807179ca" /> heeft in de uitspraak van 8 november 2023<footnote-ref linkend="_aec33916-9263-468a-8480-88cb433c0a5a" /> nog geoordeeld dat ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank overweegt in dit kader dat Duitsland onder meer partij is bij het EVRM, het Vluchtelingenverdrag en de richtlijnen van de Europese Unie op het gebied van asielrecht. De enkele stellingen van eiser dat hij in Duitsland geen eten en drinken kreeg, dat hij buiten moest slapen, dat hij onmenselijk behandeld is en dat hij gedwongen is zijn vingerafdrukken af te geven, zonder dit te onderbouwen met stukken die eiser persoonlijk betreffen, zijn onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat Duitsland zich ten opzichte van eiser niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. Verder mag van eiser worden verwacht dat hij zich bij voorkomende problemen in de Duitse asielprocedure, opvangvoorzieningen, of anderszins beklaagt bij de (hogere) Duitse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid er voor hem niet is of dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond. </para>
    <para />
    <para>9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_adf3388c-8f6e-43b8-8a8f-8481d7d7a1e4" />, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.</para>
    <para />
    <para>10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van V. Nooteboom griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">Bent u het niet eens met deze uitspraak?</emphasis>
      </para>
      <para />
      <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. </para>
      <para />
      <para>Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_edc182bc-44d5-4941-a32b-83297a52d268" label="1">
    <para> Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_09aaeb02-aad6-4889-afa8-12e0677a1eb4" label="2">
    <para> Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74f674cc-a8e3-45af-ac57-010d83f43eca" label="3">
    <para> Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5962f112-fd39-49f4-80e7-56230c59fdbf" label="4">
    <para>Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:74 en </para>
    <para>12 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2484.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7879e8ad-0fb0-4d76-a56e-89ed807179ca" label="5">
    <para> Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aec33916-9263-468a-8480-88cb433c0a5a" label="6">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:4107.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_adf3388c-8f6e-43b8-8a8f-8481d7d7a1e4" label="7">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>