<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:10764</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-19T13:53:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.25427</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10764">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10764</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-19T13:52:33</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:10764 Rechtbank Den Haag , 17-06-2025 / NL25.25427</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10764:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eerste beroep bewaring – grondslag betwist – verlenging UOD – gronden betwist – lichter middel – beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10764:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL25.25427</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer],</para>
      <para>(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_93209722-7411-41fd-80c8-3780627cb69f" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 18 juni 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is aanwezig [tolk]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1977 en de Syrische nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortraject</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser wijst er in beroep op dat er in het proces-verbaal omtrent het binnentreden is opgenomen dat de deur van eisers kamer is geopend met een aan de verbalisant beschikbaar gestelde sleutel, terwijl in het proces-verbaal staandehouding, overbrenging en ophouding staat dat eiser de deur heeft geopend voor de verbalisant. Deze tegenstrijdigheid roept vragen op over de betrouwbaarheid van de processen-verbaal.</para>
    <para />
    <para>3. Vaststaat dat er een rechtsgeldige machtiging tot binnentreden is afgegeven, waarmee een persoon die daartoe bevoegd was de kamer van eiser is binnengetreden. Dat de processen-verbaal niet overeenkomen, laat onverlet dat het binnentreden op rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden. Niet is gesteld of anderszins gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad. De rechtbank acht het onzorgvuldig dat de processen-verbaal van elkaar afwijken, maar verbindt hier verder geen consequenties aan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Grondslag van de maatregel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, omdat de overdrachtstermijn ten onrechte is verlengd. Dat hij tijdelijk buiten bereik van de autoriteiten was, is onvoldoende om te spreken van onderduiken. Hij was niet op de hoogte van de overdracht.</para>
    <para />
    <para>5. Bij de toetsing of de vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring kan worden gesteld, is bepalend of de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_b109d9fc-82fb-4499-87ea-ea54b1a34570" /> op de vreemdeling van toepassing is.<footnote-ref linkend="_d894e2c2-28d7-460a-9cad-ec553006c1bd" /> Op grond van artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Vb<footnote-ref linkend="_d4da2aad-3e9c-4446-af49-a4e9c5f69fd5" /> moet een concreet aanknopingspunt voor overdracht als bedoeld in de Dublinverordening bestaan om een vreemdeling krachtens artikel 59a, eerste lid, in bewaring te kunnen stellen.<footnote-ref linkend="_69e9ff18-8468-4bea-9240-327bfef38c49" /></para>
    <para />
    <para>6. Naar het oordeel waren er voldoende concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat de Dublinverordening op eiser van toepassing was, gelet op de Eurodac-treffer, het claimakkoord van 12 november 2024 en het overdrachtsbesluit van 3 januari 2025. In het asieldossier van eiser is een beslissing tot verlengen van de overdrachtstermijn genomen op 25 maart 2025. Daartegen is beroep ingesteld, maar dit beroep is vervolgens ingetrokken. Dit maakt dat de verlenging van de overdrachtstermijn in rechte vast staat. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de uiterste overdrachtsdatum van eiser al was verstreken en hij dus niet meer in bewaring kon worden gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_f371e18c-d786-45b8-95cd-46a8e11b1de3" /> vermeld dat eiser:</para>
    <para>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;</emphasis>
      <?linebreak?>
    </para>
    <para>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_fc214f19-2393-49e6-aba2-2215562cf13f" /> vermeld dat eiser:<?linebreak?></para>
    <para>
      <emphasis role="italic">- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      <?linebreak?>
      <emphasis role="italic">- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. </emphasis>
    </para>
    <para />
    <para>8. Eiser betwist alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Ten aanzien van zware grond 3a en lichte gronden 4c en 4d stelt eiser dat deze feitelijk juist zijn, maar dat deze voor nagenoeg iedere asielzoeker gelden. Verweerder heeft niet toegelicht waarom hier een significant risico op onttrekking uit volgt.</para>
    <para />
    <para>9. Eiser betwist niet dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Verweerder mag bij het tegenwerpen van onder meer de zware grond 3a volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze grond zich feitelijk voordoet. De stelling van eiser dat deze grond voor iedere asielzoeker geldt, doet niet af aan de feitelijke juistheid. Dit geldt ook voor de lichte gronden 4c en 4d. Enkel de inschrijving in de BRP<footnote-ref linkend="_18c331f6-0191-47ee-afba-a23d0a36ceb5" /> volstaat als een vaste woon- of verblijfplaats en het leefgeld van het COa<footnote-ref linkend="_79a31a6c-6aea-46be-bc3e-a015b47d91e0" /> is niet aan te merken als voldoende zelfstandige middelen van bestaan. In de maatregel heeft verweerder, anders dan eiser stelt, gemotiveerd waarom de feitelijke juistheid van deze gronden bijdraagt aan een significant risico op onderduiken.</para>
    <para />
    <para>10. Deze zware en twee lichte gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over zware grond 3k en de lichte grond 4a behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>11. Eiser stelt dat er, gelet op alle misstanden, ten onrechte geen lichter middel is toegepast.</para>
    <para />
    <para>12. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel, zoals een meldplicht, doeltreffend is om het risico op onderduiken te ondervangen. Aan eiser is eerder een lichter middel opgelegd, maar hij heeft geen acties ondernomen om een overdracht mogelijk te maken. Ook heeft eiser herhaaldelijk uitgesproken dat hij niet wil terugkeren naar Polen. Daarom is niet aannemelijk dat een lichter middel zal leiden tot het beoogde resultaat, een overdracht aan Polen. Verweerder heeft daarnaast voldoende gemotiveerd dat evenmin is gebleken van omstandigheden die detentie voor eiser onredelijk bezwarend maken.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>14 Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op <emphasis role="underline">www.rechtspraak.nl</emphasis>. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_93209722-7411-41fd-80c8-3780627cb69f" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b109d9fc-82fb-4499-87ea-ea54b1a34570" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d894e2c2-28d7-460a-9cad-ec553006c1bd" label="3">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:919.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d4da2aad-3e9c-4446-af49-a4e9c5f69fd5" label="4">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_69e9ff18-8468-4bea-9240-327bfef38c49" label="5">
    <para> Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2070.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f371e18c-d786-45b8-95cd-46a8e11b1de3" label="6">
    <para> Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fc214f19-2393-49e6-aba2-2215562cf13f" label="7">
    <para> Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_18c331f6-0191-47ee-afba-a23d0a36ceb5" label="8">
    <para> Basisregistratie Personen.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_79a31a6c-6aea-46be-bc3e-a015b47d91e0" label="9">
    <para> Centraal Orgaan Opvang asielzoekers.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>