<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:10653</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T11:58:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL23.24134</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10653">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10653</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T11:57:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:10653 Rechtbank Den Haag , 17-06-2025 / NL23.24134</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10653:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>BNT – verzet – beroep inhoudelijk afgedaan – verzet gegrond – beroep niet-ontvankelijk.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10653:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL23.24134 V</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, opposant</para>
      <para>(gemachtigde: mr. F.P. Dalhuizen), </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">en uitspraak in de beroepszaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], geopposeerde tevens eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer], </para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Asiel en Migratie</emphasis>, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij uitspraak van 1 mei 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiser kennelijk gegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Opposant heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet op grond van artikel 8:55, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het verzet</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder een zitting te houden. Artikel 8:54 van de Awb biedt de mogelijkheid om zonder zitting uitspraak te doen, mits het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft bij uitspraak van 1 mei 2024 geoordeeld dat het beroep kennelijk gegrond is. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat verweerder niet-tijdig heeft beslist op de asielaanvraag van eiser. Daarbij heeft de rechtbank de door verweerder verbeurde dwangsom vastgesteld op € 1.442, verweerder opgedragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak een besluit bekend te maken met inachtneming van de uitspraak, bepaald dat verweerder een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt met een maximum van € 7.500, en verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 437,50.</para>
    <para />
    <para>2. In deze verzetzaak beoordeelt de rechtbank uitsluitend of in de uitspraak van 1 mei 2024 terecht is geoordeeld dat het beroep gegrond is zonder dat er redelijke twijfel over bestaat. Aan de inhoud van de beroepsgronden komt de rechtbank pas toe als het verzet gegrond is.</para>
    <para />
    <para>3. Opposant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het beroep kennelijk gegrond was, omdat opposant niet de gelegenheid heeft gekregen om voorafgaand aan de uitspraak een schriftelijk standpunt in te nemen. Daarnaast heeft de rechtbank volgens opposant geen rekening gehouden met vigerende jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) met betrekking tot de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom in asielprocedures. Opposant zou op deze jurisprudentie hebben gewezen in een verweerschrift. Ook zou opposant hebben gewezen op het besluit van 31 augustus 2023, waarin de asielaanvraag van eiser ingewilligd is. Dit besluit heeft opposant op 5 juni 2024 aan het digitale dossier toegevoegd.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank volgt opposant hierin. Opposant stelt zich terecht op het standpunt dat de rechtbank niet verzocht heeft om een verweerschrift, hoewel in het procesverloop staat dat verweerder de gelegenheid van verweer heeft gehad. Daarnaast had opposant bij een onderzoek ter zitting in de zin van artikel 8:56 van de Awb kunnen aanvoeren dat reeds was beslist op de asielaanvraag en kunnen wijzen op de jurisprudentie van de Afdeling met betrekking tot de afschaffing van de bestuurlijke dwangsom in asielzaken. De rechtbank is gelet hierop onterecht tot het kennelijke oordeel is gekomen dat het beroep gegrond was. </para>
    <para />
    <para>5. Het verzet is gegrond. Dat betekent dat de uitspraak van 1 mei 2024 vervalt en dat de rechtbank het onderzoek hervat in de stand waarin dat zich bevond voordat de uitspraak van 1 mei 2024 werd gedaan. </para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat nader onderzoek niet bijdraagt aan de beoordeling van de beroepszaak. De rechtbank doet daarom niet alleen uitspraak op het verzet, maar ook op het beroep. Artikel 8:55, tiende lid, van de Awb maakt dat mogelijk.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien van het beroep</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Verweerder heeft inwilligend beslist op de asielaanvraag van eiser. Nu hiermee tegemoet is gekomen aan het beroep tegen het niet-tijdig nemen van het besluit heeft eiser geen procesbelang meer. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.</para>
    <para />
    <para>8. Omdat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag beroep heeft kunnen instellen, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 453,50 bestaande uit een punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 en vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,5 (licht). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank stelt vast dat in het digitale dossier zich reeds een aanbiedingsformulier van verweerder bevindt voor betaling van € 437,50 aan proceskosten van eiser.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het verzet gegrond;</para>
      <para> verklaart het beroep niet-ontvankelijk;</para>
      <para> veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 17 juni 2025 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep of verzet open.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. </para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>