<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:10458</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-09-19T11:00:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 24/2880</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10458">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10458</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-20T16:35:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-09-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:10458 Rechtbank Den Haag , 28-04-2025 / SGR 24/2880</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10458:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Ongegrond beroep. Bezwaar was niet op tijd en dus niet-ontvankelijk. Geen verschoonbaarheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10458:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/2880 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] in Colombia, eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: A. Christiaans).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank eisers beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar en zijn verzoek om schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft op 14 september 2023 afwijzend beslist op eisers verzoek om wijziging van zijn gegevens in de Basisregistratie personen (BRP). Met het bestreden besluit van 28 februari 2024 is eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Eiser is vanuit Nederland naar Spanje geëmigreerd en heeft zijn woonplaats thans in Colombia. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <parablock>
        <para>Op 6 december 2017 heeft eiser bij de gemeente Den Haag aangifte gedaan van zijn voorgenomen vertrek op 20 december 2017. Deze vertrekaangifte heeft hij op </para>
        <para>13 december 2017 geannuleerd. Vervolgens is opnieuw aangifte gedaan van zijn vertrek, waarna eiser per 16 maart 2018 uit de BRP is uitgeschreven. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Op verzoek van eiser, gedaan op 2 januari 2022, is de uitschrijfdatum bij besluit van 13 januari 2022 gewijzigd naar 20 december 2017.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Op 20 augustus 2023 heeft eiser een nieuw correctieverzoek gedaan, waarbij is gevraagd de uitschrijfdatum te wijzigen naar 1 januari 2018. Dit heeft verweerder op <?linebreak?>14 september 2023 afgewezen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het eerdere correctieverzoek bij vergissing was toegewezen. De uitschrijfdatum in de BRP is evenwel in stand gelaten, omdat niet is gebleken dat eiser aangifte heeft gedaan van zijn vertrek met ingang van 1 januari 2018.</para>
      <para />
      <para>3. Eiser heeft op 16 januari 2024 een bezwaarschrift ingediend, dat hij op <?linebreak?>14 februari 2024 heeft aangevuld. Verweerder heeft het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat stelt eiser in beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. Het was in redelijkheid niet mogelijk binnen 6 weken bezwaar te maken vanwege de complexiteit van de kwestie. In het geval van eiser klemt dat nog meer, omdat hij lijdt aan de gevolgen van een burn-out en long covid. De termijnoverschrijding is dan ook verschoonbaar.</para>
      <para />
      <para>5. De uitschrijfdatum van 16 maart 2018 is onjuist en verweerder heeft het correctieverzoek op onjuiste gronden geweigerd. </para>
      <para />
      <para>6. Eiser verzoekt bovendien om toekenning van een schadevergoeding.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">De ontvankelijkheid van het bezwaar</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>7. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen een besluit is zes weken na de dag waarop het besluit is bekendgemaakt.<footnote-ref linkend="_5115c0cf-c876-43c2-9f37-6e848ef3ce7b" /> Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, dan moet verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat het bezwaar niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Als er een goede reden is dat het bezwaarschrift te laat is ingediend, dan verklaart verweerder het bezwaar toch ontvankelijk.<footnote-ref linkend="_df8fc33c-299b-4ea5-a4cc-85e747fccf03" /> Het kan dan gaan om te late indiening die is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen, door het handelen of nalaten van het bestuursorgaan en mogelijk ook om andere redenen.<footnote-ref linkend="_6ae96cf3-a874-4be4-97aa-03e49865981d" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>Het staat niet ter discussie dat het primaire besluit op 14 september 2023 per email aan eiser is verzonden. Eiser woont in Colombia, zodat het praktisch is dat het berichtenverkeer per email verloopt. Hij heeft het correctieverzoek dan ook per email ingediend. Gelet hierop moet worden aangenomen, dat eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar was.<footnote-ref linkend="_5dc46533-b563-4b3e-83fd-a77b5c364197" /> Het besluit is daarom met de toezending op <?linebreak?>14 september 2023 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.<footnote-ref linkend="_d6b61705-3e19-4e9d-8aa1-073e6dea635c" /> Vanaf de daaropvolgende dag is de bezwaartermijn van 6 weken gaan lopen. Die termijn verstreek op 27 oktober 2023. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <para>Eiser heeft pas op 9 januari 2024 kenbaar gemaakt bezwaar te willen maken en dat op 16 januari 2024 gedaan op de wijze zoals aangegeven in de bezwaarclausule in het besluit. Voor zover eiser wil betogen dat hij eerder heeft laten blijken het oneens te zijn met het besluit en dat verweerder daarin een bezwaar had moeten herkennen, kan hem dit niet baten. De eerste schriftelijke correspondentie over het besluit dateert namelijk pas van <?linebreak?>24 november 2023, eveneens ruim na het verlopen van de bezwaartermijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <para>Voor de ruime overschrijding van de bezwaartermijn heeft eiser als uitleg gegeven dat de zaak complex is, terwijl hij een burn-out had, aan long covid leed en veel stress ondervindt. Bovendien kan hij in Colombia moeilijk aan juridische hulp komen. </para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>7.3.1</nr>
        <parablock>
          <para>Allereerst stelt de rechtbank vast, dat de zaak betrekking heeft op een BRP-inschrijving. Het feitencomplex rondom die inschrijving en de vraag of die moet worden gewijzigd, is niet zo complex dat het bijzonder moeilijk was om tijdig bezwaar te maken.  </para>
          <para>Daarnaast ziet de rechtbank dat eiser veel te verduren heeft gekregen op het gebied van zijn gezondheid en zijn belastbaarheid. Hoe betreurenswaardig dat ook is, daaruit blijkt niet zonder meer dat eiser was verhinderd om tijdig bezwaar te maken. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat deze problematiek hem zodanig belemmerde, dat hij niet op tijd een bezwaarschrift heeft kunnen opstellen en opsturen. </para>
          <para>Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het zonder hulp bijzonder moeilijk voor hem was om bezwaar maken. Het maken van bezwaar is een laagdrempelige handeling en het was niet de eerste keer dat eiser bestuursrechtelijk opkwam tegen een besluit. </para>
        </parablock>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <para>De termijnoverschrijding moest dus aan eiser worden toegerekend. Het bezwaar is daarmee op goede gronden niet-ontvankelijk verklaard. Dit formele probleem belet de rechtbank om in te gaan op de inhoudelijke kant van de zaak en de tegenslagen die eiser na zijn uitschrijving heeft moeten verwerken. De rechtbank begrijpt dat eiser graag had gezien dat zijn zaak inhoudelijk zou worden behandeld, maar de rechtbank ontkomt niet aan deze conclusie en moet het beroep ongegrond verklaren. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Het schadevergoedingsverzoek</emphasis>
        </para>
        <para>8. De bestuursrechter is bevoegd op verzoek een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade als gevolg van een onrechtmatig besluit, een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit dan wel het niet tijdig nemen van een besluit.<footnote-ref linkend="_05fcb031-5973-4d60-aab7-c5fa1a790715" /> Bij andere schadeoorzaken is niet de bestuursrechter, maar de civiele rechter bevoegd. De bestuursrechter is bevoegd is om een verzoek tot schadevergoeding te beoordelen van ten hoogste € 25.000.<footnote-ref linkend="_658ddbf4-4c8d-4631-b230-26665de0a386" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <para>Eiser verzoekt om een vergoeding van € 90.000,- aan kosten die hij heeft moeten maken en om vergoeding van immateriële schade. De rechtbank is vanwege de hoogte van dit bedrag niet bevoegd om hierover te oordelen. Hiervoor kan eiser eventueel de civiele rechter aanzoeken. De rechtbank moet zich in deze procedure onbevoegd verklaren om over het verzoek te oordelen.  </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft dus in stand. Daarnaast is de rechtbank onbevoegd om over het schadevergoedingsverzoek te oordelen. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. D.C. van Genderen, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
  </section>
  <footnote id="_5115c0cf-c876-43c2-9f37-6e848ef3ce7b" label="1">
    <para> Artikelen 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df8fc33c-299b-4ea5-a4cc-85e747fccf03" label="2">
    <para> Artikel 6:11 van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6ae96cf3-a874-4be4-97aa-03e49865981d" label="3">
    <para> College van Beroep voor het bedrijfsleven, 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5dc46533-b563-4b3e-83fd-a77b5c364197" label="4">
    <para> Artikel 2:14, eerste lid van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d6b61705-3e19-4e9d-8aa1-073e6dea635c" label="5">
    <para> Artikel 3:41, eerste lid van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_05fcb031-5973-4d60-aab7-c5fa1a790715" label="6">
    <para> Artikel 8:88 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_658ddbf4-4c8d-4631-b230-26665de0a386" label="7">
    <para> Artikel 8:89, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>