<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:10368</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-19T12:47:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-02-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">24-5978</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10368">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10368</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-19T12:44:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:10368 Rechtbank Den Haag , 20-02-2025 / 24-5978</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10368:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond. Afwijzing aanvraag levenlanglerenkrediet. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden de aanvraag van eiser om een levenlanglerenkrediet heeft afgewezen, aangezien eiser geen wo-masteropleiding met goed gevolg heeft afgerond. Er is geen sprake van ongerechtvaardigd onderscheid.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10368:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/5978 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder </title>
    <para>(gemachtigde: mr. drs. E.H.A. van den Berg).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een levenlanglerenkrediet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 juli 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder daarbij gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser (geboren in 1998) heeft gevraagd om toekenning van een levenlanglerenkrediet, in verband met de voltijdse wo-masteropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Verweerder heeft deze aanvraag voor de periode september 2024 tot en met augustus 2025 afgewezen, omdat eiser geen diploma voor een hbo-bachelor of universitaire master heeft en jonger is dan dertig jaar.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiser in beroep?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Het bestreden besluit is ondeugdelijk gemotiveerd, omdat verweerder niet heeft onderkend dat eiser wel een wo-bachelor heeft afgerond. Eiser stelt dat niet valt in te zien waarom het afronden van een hbo-bachelor wel toegang geeft tot het levenlanglerenkrediet, maar het afronden van een wo-bachelor – en dus geen wo-master – niet. Verweerder geeft een verkeerde uitleg van artikel 3.16b van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Daarnaast wordt een onjuiste definitie van ‘wo-opleiding’ gehanteerd. Verder overweegt verweerder ten onrechte dat er een rechtvaardiging bestaat voor het onderscheid tussen een hbo-bacheloropleiding en een wo-bacheloropleiding. Zo is voor beide bachelordiploma’s 180 EC vereist. Er is daarom sprake van ongelijke behandeling en ook maakt dit het bestreden besluit discriminatoir. Tot slot beroept eiser zich op de hardheidsclausule, omdat de toepassing van artikel 3.16b, tweede lid, van de Wsf 2000, niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. De wetgever heeft het levenlanglerenkrediet ingevoerd om de drempel tot het onderwijs te verlagen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden de aanvraag van eiser om een levenlanglerenkrediet heeft afgewezen. Zij zal dit oordeel hierna uitleggen.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat onder een wo-opleiding het geheel van een wo-bacheloropleiding en wo-masteropleiding wordt verstaan. Dat verweerder hierbij van een onjuiste definitie uitgaat is de rechtbank mede gelet op de wetsgeschiedenis niet gebleken.<footnote-ref linkend="_c6e9a190-7c72-4515-b373-dbdf0d1770c0" /></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Uit artikel 3.16, tweede lid, van de Wsf 2000 volgt dat het levenlanglerenkrediet slechts wordt verstrekt indien de student niet in aanmerking komt voor studiefinanciering<footnote-ref linkend="_71f516cc-acbc-4720-bfbc-6ae656afc981" /> en in geval het krediet wordt gevraagd voor een voltijdse of duale opleiding in het hoger onderwijs en de ho-student nog niet de leeftijd van dertig jaren heeft bereikt, die ho-student een hbo-bacheloropleiding<footnote-ref linkend="_078f4c2a-b85f-4341-8341-818e61954369" /> of het geheel van een wo-bacheloropleiding en een wo-masteropleiding<footnote-ref linkend="_2bd7d02c-0388-401b-8749-0a33c8876a20" /> met goed gevolg heeft afgesloten, en voor zover de kosten voor het lesgeld of collegegeld niet door een derde worden vergoed. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>De rechtbank stelt vast dat eiser geen wo-masteropleiding heeft afgerond en jonger is dan dertig jaar. Om in aanmerking te komen voor het levenlanglerenkrediet moet eiser ofwel een hbo-bacheloropleiding of een wo-bacheloropleiding én wo-masteropleiding met goed gevolg hebben afgerond. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit de wetsgeschiedenis uitdrukkelijk blijkt dat geen krediet wordt verstrekt aan ho-studenten die jonger zijn dan dertig jaren en het krediet vragen voor een voltijdse of duale opleiding en die nog geen hbo-bachelor- of wo-masterdiploma hebben.<footnote-ref linkend="_0d9293c1-568e-47a0-afc8-c6380e053c06" /> Aangezien eiser geen wo-masteropleiding met goed gevolg heeft afgerond heeft verweerder op goede gronden beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor het langlevenlerenkrediet. Verweerder heeft hierbij terecht gewezen op het feit dat de wetgever in dit verband is uitgegaan van afgeronde opleidingen in het hoger onderwijs, waarbij geldt dat een wo-bachelor niet als een afgeronde opleiding geldt en een hbo-bachelor wel.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>De rechtbank kan eiser – mede gelet op het voorgaande – niet volgen in zijn betoog dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid, omdat ho-studenten met een afgeronde hbo-bacheloropleiding wel in aanmerking komen voor het levenlanglerenkrediet en ho-studenten met een afgeronde wo-bacheloropleiding niet. Hierbij is tevens van belang dat, anders dan eiser stelt, geen sprake is van gelijke gevallen. Zo is de studielast van een hbo-bacheloropleiding 240 EC en van een wo-bacheloropleiding 180 EC.<footnote-ref linkend="_928b9986-e6d7-454a-935d-7d68568ebed5" /> Ook de duur van een hbo-bacheloropleiding en een wo-bacheloropleiding is verschillend. Omdat geen sprake is van gelijke gevallen slaagt eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel niet. Dat het bestreden besluit discriminatoir is, is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gebleken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Tot slot slaagt het beroep van eiser op hardheidsclausule niet. Uit de wetsgeschiedenis<footnote-ref linkend="_c601d14d-4e34-48e6-ac6a-78de00b79050" /> blijkt, zoals eerder aangegeven in rechtsoverweging 4.3, dat de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever is geweest dat studenten die nog geen dertig jaar zijn, geen krediet krijgen als zij nog geen hbo-bachelor- of wo-masterdiploma hebben, nu deze groep doorgaans recht heeft op studiefinanciering. Het levenlanglerenkrediet is bestemd voor het volgen van een tweede studie en niet om uitloop van een eerste studie te financieren. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de toepassing van verweerder van artikel 3.16b, tweede lid, van de Wsf 2000, niet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan sprake is van dusdanige bijzondere omstandigheden dat verweerder in dit concrete geval de hardheidsclausule had moeten toepassen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Maas, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_c6e9a190-7c72-4515-b373-dbdf0d1770c0" label="1">
    <para> Kamerstukken II 2014/15, 34 035, nr. 3, p. 67.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_71f516cc-acbc-4720-bfbc-6ae656afc981" label="2">
    <para> Als bedoeld in artikel 3.1, eerste of tweede lid, van de Wsf 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_078f4c2a-b85f-4341-8341-818e61954369" label="3">
    <para> Als bedoeld in artikel 7.3a, tweede lid, onderdeel b, WHW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2bd7d02c-0388-401b-8749-0a33c8876a20" label="4">
    <para> Als bedoeld in artikel 7.3a, eerste lid, onderdelen a en b, WHW.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_0d9293c1-568e-47a0-afc8-c6380e053c06" label="5">
    <para> Kamerstukken II 2014/15, 34 035, nr. 3, p. 60.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_928b9986-e6d7-454a-935d-7d68568ebed5" label="6">
    <para> Wat is het aantal lesuren en studiepunten in het hoger onderwijs? | Rijksoverheid.nl</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c601d14d-4e34-48e6-ac6a-78de00b79050" label="7">
    <para> Kamerstukken II 2014/15, 34 035, nr. 3, p. 60.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>