<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:10322</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-13T11:49:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-04-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL25.4129 RECTIFICATIE</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10322">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10322</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-13T11:49:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:10322 Rechtbank Den Haag , 15-04-2025 / NL25.4129 RECTIFICATIE</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10322:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Rectificatie</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10322:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <section>
    <title>RECHTBANK DEN HAAG</title>
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht </para>
      <para />
      <para>Bestuursrecht</para>
      <para />
      <para>zaaknummer: NL25.4129 <emphasis role="bold">Rectificatie </emphasis>(bladzijde 3)</para>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2025 in de zaak tussen </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold" />
      </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser] , </emphasis>V-nummer: [V-nummer] , eiser</para>
      <para>(gemachtigde: mr. D. van Elp),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Minister van Asiel en Migratie, de minister.</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- of gezinslid in het kader van nareis en een mvv voor verblijf met als doel 'familie en gezin' in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna gezamenlijk: de aanvraag).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. De rechtbank vindt een zitting niet nodig en heeft partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.1</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. Bij de behandeling van aanvragen in zogenoemde nareiszaken hanteert de minister sinds 15 januari 2024 het principe van first-in first-out. Deze werkwijze houdt in dat de minister de aanvraag van eiser naar verwachting in maart 2025 in behandeling neemt. Tegen deze achtergrond verzoekt de minister de rechtbank primair om het beroep van eiser tot dat moment aan te houden. In het verlengde hiervan verzoekt de minister de rechtbank om een nadere beslistermijn op te leggen in lijn met de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 augustus 20242. De rechtbank wijst het verzoek af, omdat de aard van een beroep tegen het niet-tijdig beslissen zich in beginsel tegen een aanhouding verzet. Een aanhouding van de behandeling van het beroep neemt namelijk voor de minister de prikkel weg om voortvarend tot een beslissing te komen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is</para>
    </parablock>
    <para>genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3</para>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="23789512-4126-4432-8b1e-8b5c5f16f0a7" depth="2" width="194" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <parablock>
      <para>1 Artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
      <para>2 ECLI:NL:RBDHA:2024:13031 en ECLI:NL:RBDHA:2024:13036.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Is het beroep van eiser gegrond?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>4. De rechtbank stelt vast dat de termijn waarbinnen de minister had moeten beslissen op de aanvraag is overschreden. De rechtbank stelt verder vast dat eiser de minister rechtsgeldig in gebreke heeft gesteld. Eiser heeft meer dan twee weken daarna beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag. Dit betekent dat het beroep terecht is ingediend. Het beroep is gegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>5. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen.4 Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. In de uitspraak van 17 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, geoordeeld dat bij nareisaanvragen sprake is van zo'n bijzonder geval.6 Ook heeft de rechtbank in die uitspraak uitgangspunten geformuleerd voor het opleggen van een passende nadere beslistermijn. De rechtbank zal deze uitgangspunten ook in deze zaak toepassen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. De minister heeft een verweerschrift ingediend, waarin hij enkel ingaat op algemene aspecten over het werken volgens het fifo-principe. Onduidelijk is daardoor wanneer de minister gaat beslissen op de aanvraag. De rechtbank vindt het passend om te bepalen dat de minister binnen een termijn van acht weken na verzending van de uitspraak moet beslissen. Dit ligt anders als de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en hij dat schriftelijk aan eiser meedeelt. In dat geval moet de minister het besluit binnen twintig weken na verzending van deze uitspraak bekend maken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Legt de rechtbank de minister een rechterlijke dwangsom op?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>8. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hebben vastgesteld.7 De rechtbank bepaalt in deze zaak· dat de minister een dwangsom van€ 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van€ 15.000,-. De rechtbank ziet geen aanleiding om een lagere dwangsom op te leggen, zoals de minister heeft verzocht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Heeft de minister een bestuurlijke dwangsom verbeurd?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>9. Eiser heeft de rechtbank verzocht om de hoogte van de bestuurlijke dwangsom vast te stellen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="c1dcedca-39e3-4b1e-bf4f-36d5b174271e" depth="2" width="194" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <parablock>
      <para>3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.</para>
      <para>4 Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.</para>
      <para>5 Artikel 8:55d, derde lid, van de Awb.</para>
      <para>6 ECLI:NL:RBDHA:2023:3590.</para>
      <para>7 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>10. Als een bestuursorgaan een besluit niet op tijd neemt, moet het bestuursorgaan een dwangsom betalen voor elke dag dat het te laat is, voor maximaal 42 dagen. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen€ 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen€ 35,­ per dag en de overige dagen€ 45,- per dag. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast binnen twee weken na de laatste dag waarover de dwangsom betaald moet worden.8</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>11. De minister heeft de hoogte van de bestuurlijke dwangsom niet vastgesteld. De rechtbank doet dit nu alsnog.9 De dwangsom is in dit geval verschuldigd vanaf 28 januari 2025 tot en met 11 maart 2025 en bedraagt in totaal € 1.442,-. De rechtbank stelt de hoogte van de dwangsom vast op het maximale bedrag van€ 1.442,-, omdat er inmiddels al 42 dagen zijn verstreken sinds de minister in gebreke is.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie en gevolgen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>12. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen de onder 7. genoemde termijn alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, moet hij een dwangsom betalen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>13. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van€ 907,- en een wegingsfactor 0,5). Ook moet de minister het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
      <para>- vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      <para>- stelt de door de minister te betalen bestuurlijke dwangsom vast op € 1.442;</para>
      <para>- draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend te maken. Indien de minister binnen die termijn besluit tot nader onderzoek en hij dat aan eiser schriftelijk meedeelt, dan moet het besluit binnen twintig weken na de dag van verzending van deze uitspraak bekend worden gemaakt;</para>
      <para>- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag, waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van€ 15.000,-;</para>
      <para>- <emphasis role="bold">bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van€ 194,- vergoedt;</emphasis></para>
      <para>- <emphasis role="bold">veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van </emphasis>€ <emphasis role="bold">453,50.</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="a6e6fbf6-dfc9-42cb-94ce-ed94f5fd18ea" depth="2" width="194" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <parablock>
      <para>8 Artikel 4:17, eerste en tweede lid, en artikel 4:18 van de Awb.</para>
      <para>9 Artikel 8:55c van de Awb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. <emphasis role="bold">R.J.A. </emphasis>Schaaf, rechter, in aanwezigheid van O.C. van de Mortel, griffier. De uitspraak is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2025.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De rechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>rechter</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 15APRZ025</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Bent u het niet eens met deze uitspraak?</title>
    <para>Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>