<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:10229</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-12T12:59:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.19713</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Groningen</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10229">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10229</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-12T12:58:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:10229 Rechtbank Den Haag , 12-06-2025 / NL24.19713</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10229:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>beroep, artikel 9 Vw 2000 document, Chavez-Vilches, verblijfsvergunning in Frankrijk, weigering artikel 9 document te verstrekken leidt er niet toe dat dochter het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10229:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Groningen</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: AWB 24/19713 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2025 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [naam], eiser</title>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. N.B. Swart),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Asiel en Migratie </title>
    <para>(gemachtigde: mr. I. van Es).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.<footnote-ref linkend="_eba37017-a953-4ab0-b0c6-34a166207f4c" /></para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 4 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 november 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank heeft beroep, samen met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening<footnote-ref linkend="_395d0897-35d0-408a-a629-f04b90953d2d" />, op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000<footnote-ref linkend="_fce3698d-52b2-4d74-855b-fbf517e3d6f5" />, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.</para>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Totstandkoming van het besluit</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
        <para>3. Eiser heeft op 14 augustus 2023 een aanvraag ingediend om afgifte van een document waaruit blijkt dat hij een afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 van het VWEU<footnote-ref linkend="_cf3aca4d-da1d-4a88-ac22-b9d3dcbe80a5" /> en het arrest Chávez-Vilchez.<footnote-ref linkend="_7d82f299-a0db-41bb-8e79-27d593cb520b" /> Eiser beoogt verblijf bij zijn minderjarige dochter die de Nederlandse nationaliteit bezit.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het beleid van de minister over de uitvoering van het arrest Chávez-Vilchez was ten tijde van het bestreden besluit neergelegd in paragaaf B10/2.2 van de Vc 2000.<footnote-ref linkend="_90dbe738-5465-4dbd-a0db-3f2f17e189b0" /> Uit dat beleid volgt dat aan vier voorwaarden moet worden voldaan voor een geslaagd beroep op dat arrest en om in aanmerking te kunnen komen voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU. Niet in geschil is dat eiser aan de voorwaarden a en b voldoet. In het bestreden besluit is primair tegengeworpen dat eiser niet in Nederland verblijft en in Frankrijk woont. Een aanvraag voor een EU-verblijfsdocument op grond van Chàvez-Vilchez kan niet worden ingewilligd zolang eiser in het buitenland verblijft. Subsidiair is het standpunt ingenomen dat ook wanneer eiser in Nederland verblijft hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsrecht. De minister wijst erop dat eiser over een Frans verblijfsrecht beschikt dat geldig is tot 2 december 2024. Daarom wordt niet voldaan aan voorwaarde d. De dochter van eiser zal namelijk niet gedwongen worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten.<?linebreak?></para>
        <para>
          <emphasis role="underline">Strijd met artikel 20 VWEU?</emphasis>
          <?linebreak?>
        </para>
      </parablock>
      <para>4. Eiser stelt dat hij op dit moment bij zijn dochter in Nederland woont. Ook stelt hij dat zijn Franse verblijfsvergunning niet langer geldig is, omdat hij niet langer in Frankrijk woonachtig is en dat de vergunning niet wordt verlengd. Dit betekent volgens eiser dat op het moment dat hij geen verblijfsrecht krijgt in Nederland, hij de Europese Unie zal moeten verlaten en dat ook zijn dochter de Europese Unie zal moeten verlaten. Dit is volgens eiser in strijd met artikel 20 VWEU. Als onderdaan van de Europese Unie heeft zij het recht in de Europese Unie op te groeien, aldus eisers gemachtigde. </para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het verweerschrift volgt dat niet langer wordt tegengeworpen dat de aanvraag van eiser niet kan worden ingewilligd als eiser in het buitenland verblijft. De rechtbank begrijpt dat de minister daarom haar primaire standpunt uit het bestreden besluit laat vallen. De beroepsgrond die daarop ziet hoeft dan ook niet besproken te worden. Daarmee verschillen partijen alleen nog van mening over de vraag of de dochter van eiser gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan hem een verblijfsrecht wordt geweigerd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>De rechtbank oordeelt dat de minister zich op goede gronden op het standpunt stelt dat dit niet het geval is. De minister heeft daarbij kunnen betrekken dat eiser in het bezit is van een verblijfsvergunning voor Frankrijk op grond van het uitoefenen van privé- en gezinsleven. Die vergunning was geldig tot 2 december 2024. Op het moment van het bestreden besluit, 7 november 2024, was eiser dus nog in het bezit van een geldig Frans verblijfsrecht. De stelling van eiser in beroep dat zijn verblijfsvergunning niet wordt verlengd neemt de rechtbank niet mee vanwege de ex-tunc beoordeling van het bestreden besluit. Dat betekent dat de rechtbank uitgaat van de situatie zoals die was ten tijde van bestreden besluit en op dat moment had eiser een geldig Frans verblijfsrecht. Het staat eiser uiteraard vrij een nieuwe aanvraag te doen. De beroepsgrond slaagt niet.<?linebreak?></para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>A.P. Kuiters, griffier, op 12 juni 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_eba37017-a953-4ab0-b0c6-34a166207f4c" label="1">
    <para> Artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_395d0897-35d0-408a-a629-f04b90953d2d" label="2">
    <para> AWB 24/24714.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fce3698d-52b2-4d74-855b-fbf517e3d6f5" label="3">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf3aca4d-da1d-4a88-ac22-b9d3dcbe80a5" label="4">
    <para> Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7d82f299-a0db-41bb-8e79-27d593cb520b" label="5">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_90dbe738-5465-4dbd-a0db-3f2f17e189b0" label="6">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000; nu paragraaf B10/2.5.1 van de Vc 2000</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>