<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:10215</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T11:13:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-05-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.50172</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10215">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10215</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T11:12:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:10215 Rechtbank Den Haag , 28-05-2025 / NL24.50172</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10215:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Chavez - artikel 8 EVRM - beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10215:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL24.50172 (beroep) en NL24.50173 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [v-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. El-Sharkawi),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de minister van Asiel en Migratie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. Y.M. van der Lei).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez<footnote-ref linkend="_7b070f6a-ebf1-4fe4-9acf-09603337edc9" /> (hierna: Chavez-verblijfsrecht). Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 augustus 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, G. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat de zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Eiseres is gehuwd geweest met een Nederlandse man. Samen hebben zij een kind met de Nederlandse nationaliteit, [referent] (hierna: referent), geboren op 13 januari 2013. Eiseres had tot 3 december 2020 een Chavez-verblijfsrecht. Zij is in juni 2020 naar Egypte vertrokken. Op 17 november 2022 is eiseres teruggekeerd naar Nederland en op 17 augustus 2023 heeft zij de onderhavige aanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en de afwijzing in bezwaar gehandhaafd, omdat niet is gebleken dat eiseres daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht en ook niet dat referent de Europese Unie moet verlaten als eiseres geen verblijf wordt toegestaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat vindt eiseres? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiseres voert aan dat verweerder ten onrechte niet bij het besluit heeft betrokken dat zij voor referent heeft gezorgd tot aan haar vertrek uit Nederland in juni 2020. Daarnaast is eiseres sinds haar terugkeer in Nederland in 2022 zeer relevant in het leven van referent. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft eiseres een aantal foto’s van haar en referent overgelegd. Verder had verweerder de eindbeschikking van de kinderrechter ten aanzien van het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken moeten afwachten. Ten aanzien van artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_7e55a78b-883b-4307-898c-41f44dedc9a7" /> heeft eiseres aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet bij de afweging heeft betrokken dat zij Nederland in 2020 gedwongen heeft verlaten. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Wat is het oordeel van de rechtbank?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Chavez-aanvraag</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gekeken naar de periode vanaf de terugkeer van eiseres in 2022 tot heden. Nog afgezien van het feit dat eiseres een Chavez-verblijfsrecht had tot zij uit Nederland vertrok en deze periode dus reeds is beoordeeld, stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de gezinssituatie na het vertrek van eiseres dusdanig is gewijzigd. </para>
    <para />
    <para>5. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet daadwerkelijk zorg- en opvoedingstaken verricht.<footnote-ref linkend="_e900d27e-f471-410d-817e-0244682bb2a6" /> Daarbij is van belang dat referent bij zijn vader woont en zijn vader de dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht. De foto’s die eiseres heeft overgelegd zijn ongedateerd en bovendien blijkt daar niet uit dat zij dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht. De rechtbank begrijpt uit de dossierstukken dat de omgang met referent en het ouderlijk gezag over hem thans onderwerp zijn van een procedure bij de kinderrechter. Verweerder heeft echter niet op de uitkomst van dat geschil hoeven wachten. Het gaat bij de beoordeling immers om de feitelijke situatie - of eiseres op dit moment daadwerkelijk voor referent zorgt – ongeacht of die situatie rechtens juist is. Dat eiseres en de vader van referent mogelijk richting co-ouderschap zullen gaan, heeft verweerder eveneens niet hoeven te betrekken bij de beoordeling.</para>
    <para />
    <para>6. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft overwogen dat referent de Europese Unie niet hoeft te verlaten als eiseres het gevraagde verblijfsdocument niet krijgt.<footnote-ref linkend="_5b222638-4437-46c9-982a-5a247ed37d10" /> Redengevend daarvoor is dat, zoals hiervoor is overwogen, eiseres geen dagelijkse zorg- en opvoedingstaken verricht. Bovendien is referent voor zijn huisvesting evenmin afhankelijk van eiseres. Referent kan hier te lande bij zijn vader blijven.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Artikel 8 EVRM</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht de gestelde redenen van de terugkeer van eiseres naar Egypte niet heeft betrokken bij de belangenafweging. Ten eerste heeft eiseres niet aangetoond dat er sprake was van een terugkeer om medische redenen. Daarnaast is evenmin duidelijk hoe verweerder deze gestelde omstandigheid had moeten betrekken bij de belangenafweging of welk gewicht eraan toegekend had moeten worden. Bij artikel 8 van het EVRM gaat het immers om bescherming van het familieleven zoals dat thans wordt uitgeoefend. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit<footnote-ref linkend="_92a8c749-c07a-49e6-b3bf-29ac65de0a30" />.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Informatie over hoger beroep</emphasis>
      </para>
      <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_7b070f6a-ebf1-4fe4-9acf-09603337edc9" label="1">
    <para> Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7e55a78b-883b-4307-898c-41f44dedc9a7" label="2">
    <para> Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e900d27e-f471-410d-817e-0244682bb2a6" label="3">
    <para> Paragraaf B10/2.5. onder c, Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5b222638-4437-46c9-982a-5a247ed37d10" label="4">
    <para> Paragraaf B10/2.5. onder d, Vc.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_92a8c749-c07a-49e6-b3bf-29ac65de0a30" label="5">
    <para> Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>