<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2025:10173</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T10:17:06</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-11</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2025-06-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/677261</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_verbintenissenrecht">Civiel recht; Verbintenissenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10173">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2025:10173</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-06-18T10:16:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-06-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2025:10173 Rechtbank Den Haag , 11-06-2025 / C/09/677261</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10173:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Kredietovereenkomst. Verjaring en stuiting. Verjaring gestuit door erkenning die besloten ligt in het aangaan van betalingsregelingen en het doen van betalingen ter uitvoering daarvan. Voorstel schuldhulpverlener. Geen overeenstemming tot stand gekomen over het verlenen van finale kwijting tegen betaling van een zeer gering deel van de totale schuld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2025:10173:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK Den Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Civiel recht </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Den Haag</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: C/09/677261 / HA ZA 24-1071</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 11 juni 2025</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">ING BANK N.V.</emphasis>, </para>
      <para>te Amsterdam,</para>
      <para>eisende partij in conventie,</para>
      <para>verwerende partij in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: ING,</para>
      <para>advocaat: mr. P.C. Nieuwenhuizen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde partij]
        </emphasis>, </para>
      <para>te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde partij in conventie,</para>
      <para>eisende partij in reconventie,</para>
      <para>hierna te noemen: [gedaagde partij] ,</para>
      <para>advocaat: mr. B. van Zanten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Samenvatting</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>ING vordert in deze procedure dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot betaling van het uitstaande krediet, vermeerderd met rente en kosten, dat zij aan [gedaagde partij] ter beschikking heeft gesteld op grond van een tussen hen op 8 januari 2010 afgesloten kredietovereenkomst. [gedaagde partij] voert als verweer dat die vorderingen zijn verjaard. Voor het geval dat de rechtbank mocht oordelen dat de vorderingen niet verjaard zijn, meent [gedaagde partij] dat deze moeten worden afgewezen omdat partijen een minnelijke regeling zijn overeengekomen die [gedaagde partij] (op een verwaarloosbaar bedrag na) is nagekomen, zodat hij niets meer aan ING verschuldigd is. De rechtbank oordeelt dat de beide verweren van [gedaagde partij] niet opgaan en wijst de vorderingen van ING dan ook toe.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Indeling van het vonnis</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Dit vonnis is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 geeft de rechtbank kort het formele verloop van de procedure weer. Vervolgens heeft de rechtbank in paragraaf 3 de feiten opgenomen die zij relevant acht voor de beoordeling van het geschil. Welke vorderingen ING en [gedaagde partij] hebben ingesteld, staat – samengevat – vermeld in paragraaf 4. De beoordeling van het geschil vindt plaats in paragraaf 5. Die beoordeling mondt uit in de beslissing die is opgenomen in paragraaf 6.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De procedure</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het procesdossier</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het procesdossier bevat de volgende stukken:</para>
      <para>- de dagvaarding van 29 november 2024, met producties 1 t/m 23;</para>
      <para>- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4;</para>
      <para>- het tussenvonnis van 19 februari 2025 waarbij een mondelinge behandeling is gelast ;</para>
      <para>- de akte overlegging van producties van ING, met de producties 24 t/m 27.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">De mondelinge behandeling en het verdere verloop van de procedure</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 mei 2025. Partijen en hun advocaten hebben het woord gevoerd en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er op de zitting is gezegd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan de orde gesteld dat [gedaagde partij] niet alleen verweer heeft gevoerd, maar ook vorderingen heeft ingesteld, zoals blijkt uit paragraaf 4 en het petitum onder III en IV van de conclusie van antwoord. Omdat [gedaagde partij] die conclusie niet, zoals wenselijk en gebruikelijk, heeft aangeduid als “conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie” is die tegenvordering bij de administratieve voorbereiding van de zaak over het hoofd gezien en is ING niet in de gelegenheid gesteld (en zij heeft daar evenmin om verzocht) om voorafgaand aan de mondelinge behandeling een schriftelijke conclusie van antwoord in reconventie in te dienen. ING heeft bij de mondelinge behandeling verklaard dat zij hier geen punt van wil maken en mondeling verweer zal voeren (gelijk zij heeft gedaan) tegen de (reconventionele) vorderingen van [gedaagde partij] , waarvan de beoordeling overigens (vrijwel) volledig afhankelijk is van de beoordeling van de vorderingen (in conventie) van ING.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Partijen hebben de rechtbank aan het slot van de mondelinge behandeling gevraagd om vonnis te wijzen. Vervolgens is het vonnis bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De feiten</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] heeft van 1 april 2001 tot en met 29 maart 2012 een eenmanszaak gedreven onder de handelsnaam “ [handelsnaam] ”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Op 8 januari 2010 heeft [gedaagde partij] een kredietfaciliteit afgesloten bij ING, bestaande uit een rekening-courant krediet met een limiet van € 375.000,- en een geldlening van € 375.000,- . Op deze kredietovereenkomst zijn de Algemene Bepalingen van Kredietverlening van de ING en de Algemene Bankvoorwaarden van toepassing verklaard.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>ING heeft bij brief van 18 februari 2013 de kredietfaciliteit beëindigd en [gedaagde partij] gesommeerd de uitstaande kredietsom van (toen) € 384.354,16 uiterlijk per 23 maart 2013 te voldoen, in verband met het feit dat [gedaagde partij] zijn eenmanszaak per 29 maart 2012 had beëindigd en zijn zakelijke rekening gedurende langere tijd een ongeoorloofde debetstand vertoonde.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>Toen vervolgens betaling uitbleef, heeft ING de afwikkeling van het krediet in handen gesteld van haar incassogemachtigde Vesting Finance (hierna: Vesting). Vesting heeft [gedaagde partij] bij brief van 31 december 2014 gesommeerd tot betaling van het verschuldigde dat inmiddels (met rente en incassokosten) was opgelopen tot een bedrag van € 436.381,86.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>In haar brief van 14 juni 2016 aan [gedaagde partij] heeft Vesting onder meer geschreven:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“U heeft een schuld van € 448.538,85 bij ING (…). Vesting (…) is met u een betalingsregeling overeengekomen om deze schuld af te betalen. Wij hebben u eerder een brief gestuurd waarin wij aangaven dat u een betalingsachterstand heeft. Hierna hebben wij geen betaling van u ontvangen. Om deze reden vervalt de betalingsregeling die wij zijn overeengekomen. (…) Wij sommeren u om het totaalbedrag van € 448.538,85 uiterlijk 28 juni 2016 te betalen (…). Als wij het bedrag niet op 28 juni 2016 hebben ontvangen, zijn wij genoodzaakt om rechtsmaatregelen te nemen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.6.</nr>
      <para>Op 23 januari 2018 heeft Vesting andermaal een brief gestuurd over een betalingsregeling. In deze brief staat dat Vesting de regeling opnieuw gaat beoordelen en mogelijk aanpassen. Bij de brief is voor dat doel een vragenlijst bijgevoegd. Verder vermeldt de brief dat de betalingsachterstand op de regeling € 50, - bedraagt (termijn 1 januari 2018). In een brief van Vesting aan [gedaagde partij] van 5 juni 2018 wordt gerefereerd aan een eerdere brief van Vesting met daarin een bevestiging van een betalingsregeling die zou zijn afgesproken. Op die regeling is volgens de brief van 5 juni 2018 een betalingsachterstand ontstaan van € 100,- (termijnen 1 mei 2018 en 1 juni 2018). Bij brief van 21 juni 2018 van Vesting aan [gedaagde partij] heeft Vesting meegedeeld dat de betalingsregeling is vervallen omdat zij geen betalingen op de betalingsachterstand heeft ontvangen, met een sommatie om het totaal verschuldigde bedrag (€ 465.427,21) uiterlijk op 5 juli 2018 te betalen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.7.</nr>
      <para>Begin 2021 ontving Vesting een bericht van een door [gedaagde partij] ingeschakelde schuldhulpverlener, Plangroep genaamd. Vesting heeft de vordering van ING bij Plangroep per brief van 17 mei 2021 ingediend en Plangroep een termijn van 4 maanden gegeven om met een voorstel tot afwikkeling van de schuld van [gedaagde partij] te komen. Bij brief van 7 december 2021 heeft Plangroep aan Vesting laten weten dat de totale schuldenlast van [gedaagde partij] € 848.571,98 bedraagt en de vordering van ING is opgenomen voor een bedrag van € 492.414,66 (in overeenstemming met de opgave van Vesting). Plangroep doet in deze brief een bemiddelingsvoorstel dat inhoudt dat ING/Vesting [gedaagde partij] finale kwijting verleent tegen betaling binnen drie jaar van een bedrag van 0,1% van de vordering, wat volgens Plangroep neerkomt op betaling van een bedrag van € 497,34.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.8.</nr>
      <para>Mevrouw [naam 1] (hierna: [naam 1] ) heeft in het verleden in het bedrijf van [gedaagde partij] gewerkt. Ook heeft zij een stuk grond aan [gedaagde partij] verkocht en geleverd, waarop [gedaagde partij] een woning heeft laten bouwen. Een deel van de koopsom voor de grond heeft [gedaagde partij] nog niet aan [naam 1] voldaan. In de periode waarin Plangroep op basis van de met [gedaagde partij] gesloten schuldhulpverleningsovereenkomst werkzaamheden verrichtte, heeft ook [naam 1] contact gezocht met ING en Vesting over de schuld van [gedaagde partij] en het voorstel dat Plangroep aan ING/Vesting had voorgelegd. In een e-mailbericht van 25 mei 2022 van [naam 2] , medewerker van de afdeling IP Insolventie bij Vesting (hierna: [naam 2] ), aan [naam 1] (met cc aan Plangroep) wordt daarover bericht:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Geachte mevrouw [naam 1] ,</para>
        <para>Zoals besproken bevestigen wij u hierbij dat we het voorstel tegen finale kwijting in bovengenoemd dossier hebben voorgelegd aan de beslissingsbevoegde met het advies om akkoord te gaan.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.9.</nr>
      <para>Vesting heeft Plangroep op 4 augustus 2022 bericht het gedane voorstel af te wijzen:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Onze opdrachtgever gaat aangezien er sprake is van een koopwoning niet akkoord met het gedane voorstel. Er is nu geen overwaarde misschien over een jaar of in de toekomst wel.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.10.</nr>
      <para>Op 8 augustus 2022 heeft [naam 1] per e-mail aan [naam 2] gevraagd:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para> “Heb jij inmiddels van de ING akkoord, of ben je nog met vakantie?”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.11.</nr>
      <para>Op 23 augustus 2022 heeft [naam 3] , medewerker bij ING, aan [naam 1] een e-mail verzonden met het volgende bericht:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Goedemorgen mevrouw [naam 1] ,</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In vervolg op eerdere berichtgeving bevestig ik, namens de heer [naam 4] , dat vesting finance zelfstandig het dossier [gedaagde partij] kan afhandelen en akkoord gaat met het onderbouwd advies die door Vesting Finance is afgegeven.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.12.</nr>
      <para>
        [naam 1] heeft dit bericht dezelfde dag per e-mail aan [naam 2] van Vesting doorgezonden (12.53 uur), met de volgende begeleidende tekst:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Toppie het ons gelukt, hiermee kunnen jullie het positief advies akkoord afgeven. Stuur mij graag zsm de mail.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [naam 2] heeft hierop eveneens dezelfde dag en per e-mail gereageerd (14.12 uur):</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Bedankt voor de mail.</para>
        <para>Overeenkomstig de werkafspraken heb ik deze ter verificatie voorgelegd aan de uiteindelijke beslissingsbevoegden bij ING.</para>
        <para>Zodra ik uitsluitsel heb zal ik je uiteraard berichten.”</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Vervolgens heeft [naam 2] aan [naam 1] op 25 augustus 2022 het volgende bericht gezonden:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>“Wij hebben na de door u gezonden mail van 23 aug jl. contact gehad met onze beslissingsbevoegde afdeling van de ING. Zij geven aan de ze <emphasis role="underline">absoluut niet akkoord</emphasis> gaan met het voorstel. De voorkeur gaat uit zoals eerder vermeld naar een WSNP traject.</para>
        <para>Hierbij zien wij ons dan ook genoodzaakt om de communicatie met u te stoppen.”</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.13.</nr>
      <para>Op 12 september 2022 heeft Plangroep aan Vesting laten weten dat het minnelijke schuldsaneringstraject negatief was geëindigd. Een voor ING gereserveerd bedrag van € 479,93 is nog wel aan Vesting overgemaakt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.14.</nr>
      <para>Bij koopovereenkomst van 15 augustus 2024 heeft [gedaagde partij] het aan hem toebehorende appartementsrecht dat recht geeft op het uitsluitende gebruik van een woning te [plaats] (hierna: de woning) verkocht aan [naam 1] . De koopovereenkomst is op 15 november 2024 ingeschreven in het Kadaster. Na verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 18 november 2024 is op verzoek van ING op 18 november 2024 conservatoir beslag gelegd op de woning.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het geschil</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>ING vordert - samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>I	[gedaagde partij] veroordeelt om aan ING te betalen in hoofdsom een bedrag van € 423.787,02 te vermeerderen met een bedrag aan wettelijke rente van € 136.960,47 over de periode van 24 april 2014 tot en met 30 oktober 2024, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2024, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>II	[gedaagde partij] veroordeelt om aan ING te betalen een bedrag van € 4.711,66 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis, indien [gedaagde partij] met betaling van deze kosten in gebreke blijft;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>III	[gedaagde partij] veroordeelt in de beslagkosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na het in deze procedure te wijzen vonnis, indien [gedaagde partij] met betaling van deze kosten in gebreke blijft;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>IV	[gedaagde partij] veroordeelt in de (overige) proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>Daaraan legt ING, samengevat, ten grondslag dat [gedaagde partij] al zeer lange tijd – vanaf 2013 – in verzuim is met betaling van het aan het ING verschuldigde. Voorts stelt ING dat zij als gevolg van de wanprestatie van [gedaagde partij] haar vordering ter incasso aan Vesting heeft moeten geven en dat deze vervolgens diverse werkzaamheden ter incasso heeft verricht. Ten slotte stelt ING dat zij op goede gronden conservatoir beslag heeft gelegd op de woning en daarom aanspraak kan maken op een vergoeding van de beslagkosten.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van ING, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van ING, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van ING in de kosten van deze procedure.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] vordert, samengevat, dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>I	ING veroordeelt om binnen vier weken na het te wijzen vonnis de registratie van [gedaagde partij] bij de Stichting BKT te (laten) wijzigen, voor zover dat het krediet van ING met nr. 658032445 betreft, door als einddatum van dat krediet 22 maart 2018 te (laten) registreren, althans een door de rechtbank te bepalen einddatum;</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>II	het conservatoire beslag op de verkoopopbrengst van de woning opheft, welk beslag ligt op de derdengeldrekening van de notaris.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5.</nr>
      <para>Daaraan legt [gedaagde partij] ten grondslag dat de vordering van ING in conventie is verjaard, althans dat is overeengekomen dat, na betaling van een bedrag van € 497,34, door ING finale kwijting zou worden verleend voor die vordering, welk bedrag, op een bedrag van € 17,41 na, ook aan ING is voldaan. Verder heeft [gedaagde partij] aangevoerd dat nu de koopovereenkomst met betrekking tot woning in het Kadaster is ingeschreven voordat het conservatoire beslag is gelegd, dit beslag ingevolge artikel 507b lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is komen te rusten op (een deel van) de verkoopopbrengst dat de notaris onder zich houdt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6.</nr>
      <para>ING heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In conventie en in reconventie:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7.</nr>
      <para>Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">In conventie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het beroep op verjaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] stelt dat de vordering van ING tot betaling van het verschuldigde uit de kredietovereenkomst op grond van het bepaalde in artikel 3:307 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is verjaard. Daartoe heeft [gedaagde partij] aangevoerd dat meer dan vijf jaren zijn verstreken tussen 22 maart 2013, per welke datum ING het uitstaande bedrag heeft opgeëist en de brief van 17 mei 2021 van Vesting aan Plangroep, waarmee Vesting de vordering bij deze voor [gedaagde partij] optredende schuldhulpverlener heeft aangemeld.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>ING stelt hiertegenover dat de verjaring is gestuit. Zij heeft ter onderbouwing van deze stelling in de eerste plaats aangevoerd dat [gedaagde partij] de vordering heeft erkend door het aangaan van betalingsregelingen en het doen van betalingen ter uitvoering daarvan. De rechtbank is van oordeel dat de verjaring inderdaad is gestuit door erkenning. Dit oordeel licht de rechtbank als volgt toe.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>In artikel 3:318 BW is bepaald dat de verjaring van een vordering kan worden gestuit door erkenning van het recht van de gerechtigde. Aan de erkenning door de schuldenaar worden geen formele eisen gesteld. Dat betekent dat de erkenning uitdrukkelijk – schriftelijk of mondeling – kan geschieden, maar noodzakelijk is dit niet. Elke handeling of gedraging waaruit kan worden afgeleid dat de schuldenaar het recht van degene tegen wie de verjaring loopt (de schuldeiser) erkent, stuit de verjaring. Betalingen door de schuldenaar verricht ter uitvoering van een betalingsregeling of aflossingsschema kunnen telkens een erkenning van de schuld opleveren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>ING heeft een Mapoverzicht (Overzicht betalingen debiteur) overgelegd waaruit blijkt van betalingen die [gedaagde partij] heeft gedaan in de periode vanaf 4 november 2015 t/m 16 juli 2019. Het gaat om relatief kleine bedragen die onregelmatig zijn betaald, maar waaruit een (beoogd) aflossingsschema is af te leiden van aanvankelijk € 100,- per maand en vanaf juli 2016 € 50,- per maand. Volgens het overzicht zijn de betalingen verricht op de bankrekening van ING die daarvoor is aangewezen in de onder 3.4 t/m 3.6 van dit vonnis genoemde, aan [gedaagde partij] geadresseerde brieven van Vesting. Het Mapoverzicht heeft voorts hetzelfde kenmerk als het kenmerk waarvan Vesting in bedoelde brieven aangeeft dat dit bij betalingen moet worden vermeld. Nu in de van Vesting naar [gedaagde partij] uitgaande correspondentie bovendien sprake is van betalingsregelingen die tussen partijen zijn overeengekomen, acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat de in het Mapoverzicht geregistreerde betalingen door [gedaagde partij] zijn verricht ter uitvoering van betalingsregelingen die zijn getroffen in verband met de uit de kredietovereenkomst voortspruitende schuld van [gedaagde partij] aan ING. Die betalingen leveren aldus naar het oordeel van de rechtbank telkens een erkenning op van die schuld. Hierop stuit het beroep op verjaring van [gedaagde partij] af.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.5.</nr>
      <para>Niet tot een ander oordeel leidt de suggestie die namens [gedaagde partij] tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht dat de betalingen (ten aanzien waarvan [gedaagde partij] overigens niet betwist dat deze door hem zijn gedaan) mogelijk betrekking hebben op een andere schuld van [gedaagde partij] aan ING. Deze suggestie is niet althans volstrekt onvoldoende onderbouwd of toegelicht, zodat de rechtbank daar verder aan voorbijgaat.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.6.</nr>
      <para>Omdat de verjaring is gestuit door de erkenning van de vordering, behoeft de rechtbank niet te onderzoeken of de schriftelijke aanmaningen en mededelingen die Vesting aan [gedaagde partij] heeft verzonden tot stuiting van de verjaring hebben geleid (artikel 3:317 lid 1 BW). Hetzelfde geldt voor de reactie van [gedaagde partij] dat geen van die aanmaningen en mededelingen hem hebben bereikt.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Regeling in der minne?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.7.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] stelt dat ING, althans Vesting namens ING, heeft ingestemd met het voorstel dat (oorspronkelijk) namens hem is gedaan door Plangroep, namelijk dat ING volledige kwijting van de schuld verleent tegen betaling van 0,1% van de vordering, wat zou neerkomen op een bedrag van € 497,34 (hierna kortweg: het voorstel). Doordat via Plangroep op of omstreeks 12 september 2022 een bedrag van € 479,93 aan Vesting is voldaan, resteert van het schikkingsbedrag door [gedaagde partij] nog slechts te betalen een bedrag van € 17,41, aldus [gedaagde partij] , die daaraan de conclusie verbindt, zo begrijpt de rechtbank, dat ING op grond van de schikking gehouden is kwijting voor de kredietschuld te verlenen, zodat alle vorderingen van ING behoren te worden afgewezen. ING betwist gemotiveerd dat een minnelijke regeling is overeengekomen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.8.</nr>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat de vraag of een overeenkomst met een bepaalde inhoud tot stand is gekomen, moet worden beantwoord aan de hand van de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en van wat zij in dat verband redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [gedaagde partij] baseert zijn stelling dat ING akkoord is gegaan met het voorstel voornamelijk op twee pijlers: 1) Vesting heeft ING geadviseerd om met dit voorstel akkoord te gaan en 2) het e-mailbericht van 23 augustus 2022 van [naam 3] aan [naam 1] (aangehaald in 3.11 van dit vonnis). Met ING is de rechtbank van oordeel dat deze pijlers, in de gegeven omstandigheden en gelet op de hiervoor omschreven maatstaf, onvoldoende zijn om te concluderen dat tussen partijen een overeenkomst conform het voorstel tot stand is gekomen. Voor dit oordeel is het volgende redengevend.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.9.</nr>
      <para>Aan het feit dat Vesting ING heeft geadviseerd om met het voorstel akkoord te gaan, komt geen beslissende betekenis toe, omdat Vesting daarbij steeds heeft vermeld (zie bijvoorbeeld haar bericht aan [naam 1] van 25 mei 2022, aangehaald in 3.8 van dit vonnis) dat het aan de beslissingsbevoegde, dat wil zeggen (de desbetreffende afdeling binnen) ING, is om dat advies al dan niet te volgen. Vesting heeft vervolgens op 4 augustus 2022 aan Plangroep laten weten dat en waarom ING niet akkoord gaat met het voorstel (zie 3.9 van dit vonnis). Dit is een duidelijke afwijzing waarover geen misverstand kan bestaan. Dat laatste kan niet gezegd worden van het e-mailbericht van 23 augustus 2022 van [naam 3] aan mevrouw [naam 1] (zie 3.11 van dit vonnis), waarop [gedaagde partij] zich beroept. Daargelaten de slordigheden (het is [naam 1] i.p.v. [naam 1] , bij ING is werkzaam de heer [naam 4] en niet [naam 4] , het moet zijn het advies “dat” i.p.v. “die” en het wekt bevreemding dat in één zin “Vesting Finance” en “vesting finance” wordt geschreven), is dit bericht ook inhoudelijk niet helder. Afgaande op de bewoordingen/zinsconstructie ervan is de boodschap dat Vesting het dossier [gedaagde partij] zelfstandig kan afhandelen en dat Vesting akkoord is met het “onderbouwd advies”. Het gaat dan om het advies dat Vesting zelf heeft gegeven. Als de zin zo moet worden uitgelegd dat ING akkoord is met het advies, dan roept dat de vraag op hoe die mededeling zich verhoudt tot de mededeling in hetzelfde bericht dat Vesting het dossier zelfstandig kan afhandelen en daarnaast ook met de expliciete en gemotiveerde verwerping van het voorstel door ING enkele weken daarvóór, dit juist in afwijking van het advies van Vesting.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.10.</nr>
      <para>Belangrijk is dat [naam 1] het bericht van [naam 3] zoals blijkt uit haar e-mail aan Vesting (zie 3.12) aldus heeft geïnterpreteerd dat Vesting nog moest bevestigen dat het voorstel akkoord werd bevonden. De rechtbank leidt hieruit af dat [naam 1] op dat moment zelf ook van mening was dat nog geen sprake was van een perfecte overeenkomst. Dat Vesting daar eveneens van uitging blijkt wel uit de prompte reactie van haar medewerker [naam 2] die meldt dat hij de e-mail “<emphasis role="italic">overeenkomstig de werkafspraken (…) ter verificatie (heeft) voorgelegd aan de uiteindelijke beslissingsbevoegden bij ING</emphasis>”. De daaropvolgende e-mail van 25 augustus 2022 van Vesting aan [naam 1] houdt in dat de beslissingsbevoegde afdeling bij ING absoluut niet akkoord gaat met het voorstel. Dit strookt met de eerdere weigering van ING van 4 augustus 2022 en behoeft geen nadere duiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.11.</nr>
      <para>Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van [gedaagde partij] dat met ING een minnelijke regeling is overeengekomen zoals door hem is gesteld.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie ten aanzien van de hoofdvordering </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.12.</nr>
      <para>Afgezien van de hiervoor beoordeelde en verworpen verweren, heeft [gedaagde partij] de vordering van ING niet weersproken. Deze zullen dan ook worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Buitengerechtelijke incassokosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.13.</nr>
      <para>ING heeft vergoeding van de door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Bij het aangaan van de kredietovereenkomst handelde [gedaagde partij] in de uitoefening van een bedrijf. De vordering moet daarom worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat ING voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht (zie dagvaarding nrs 18 t/m 20). Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten ad € 4.711,66 (inclusief BTW)<footnote-ref linkend="_2b2299ca-0aac-4c56-b3fd-0b035493fca3" /> komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beslagkosten </emphasis>
        </para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.14.</nr>
      <para>ING heeft gevorderd dat de rechtbank [gedaagde partij] veroordeelt tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 420,07 voor kosten deurwaardersexploten, € 688,- voor griffierecht en € 614,- voor salaris advocaat (1 punt Tarief II), totaal € 1.722,07. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.15.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van ING worden begroot op:</para>
      <informaltable>
        <tgroup cols="4">
          <colspec colname="colA" />
          <colspec colname="colB" />
          <colspec colname="colC" />
          <colspec colname="colD" />
          <tbody>
            <row>
              <entry>
                <para>- kosten van de dagvaarding</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>112,37</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- griffierecht</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>5.929,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- salaris advocaat</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>7.004,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(2 punten × € 3.502,-)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>- nakosten</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>178,-</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)</para>
              </entry>
            </row>
            <row>
              <entry>
                <para>Totaal</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>€</para>
              </entry>
              <entry>
                <para>13.223,37</para>
              </entry>
              <entry>
                <para />
              </entry>
            </row>
          </tbody>
        </tgroup>
      </informaltable>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.16.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">In reconventie:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.17.</nr>
      <para>De beslissing in conventie houdt in dat de vorderingen van ING worden toegewezen. Dat brengt mee dat de vorderingen van [gedaagde partij] in reconventie, die er (ten onrechte) van uitgaan dat de vorderingen van ING in conventie niet zullen worden toegewezen, dienen te worden afgewezen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.18.</nr>
      <para>
        [gedaagde partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van ING worden begroot op € 307,- (1/2 punt x € 614,-).</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">in conventie:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] om aan ING te betalen een bedrag van € 423.787,02 te vermeerderen met een bedrag aan wettelijke rente van € 136.960,47 over de periode van 24 april 2014 tot en met 30 oktober 2024, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 november 2024, tot aan de dag der algehele voldoening,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.2.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] om aan ING te betalen een bedrag van € 4.711,66 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na dit vonnis, indien [gedaagde partij] met betaling van deze kosten in gebreke blijft;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.3.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten (inclusief beslagkosten) van € 14.945,44 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,- plus de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.4.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.5.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">in reconventie:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.6.</nr>
      <para>wijst de vorderingen af,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.7.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 307,-,</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.8.</nr>
      <para>veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2025.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_2b2299ca-0aac-4c56-b3fd-0b035493fca3" label="1">
    <para> ING heeft onweersproken gesteld dat zij geen BTW kan verrekenen.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>