<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:9864</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-27T09:06:30</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.23276</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9864">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9864</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-25T15:04:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:9864 Rechtbank Den Haag , 19-06-2024 / NL24.23276</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:9864:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, buiten zitting, voortraject, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:9864:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.23276</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_109fa1dd-8fb2-4cd0-8398-996c8b626db4" /> opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 4 juni 2024 de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Eiser heeft op 7 juni 2024 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 10 juni 2024 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft op 18 juni 2024 het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt de Syrische nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1996.</para>
    <para />
    <para>2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Voortraject</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser voert aan dat er sprake is van een gebrek in het voortraject, nu de genoemde functienaam van de BOA’s die de staandehouding hebben verricht, niet wordt genoemd in artikel 2 van het BboDVO.<footnote-ref linkend="_730c08d6-5516-4017-85b4-4babde4c215d" /> Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_d3505d30-cdca-4628-a3c6-ced64ae4052d" /> van 25 april 2022.<footnote-ref linkend="_8a40cbb5-4c07-47f3-8fc1-bbfcef10bf13" /></para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Uit het proces-verbaal van de staandehouding van 28 mei 2024 blijkt dat de staandehouding is verricht door Michael Okken, ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen, beveiliger transport van de Dienst Vervoer en Ondersteuning. Uit artikel 2 aanhef en onder c, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer &amp; Ondersteuning 2024, geldig vanaf 12 februari 2024,  volgt dat een beveiliger transport een buitengewoon opsporingsambtenaar is. Gelet hierop is eiser door een daartoe bevoegd ambtenaar staandegehouden. Het gebrek dat in de door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling is vastgesteld, namelijk het vermelden van een inmiddels afgeschafte functiebenaming, doet zich hier niet voor. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft als zware gronden<footnote-ref linkend="_75317205-8329-434e-ae83-8960b2e94304" /> vermeld dat eiser:</para>
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>en als lichte gronden<footnote-ref linkend="_a987eebd-0a33-4558-bd97-2b7e300adb54" /> vermeld dat eiser:</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de zware gronden feitelijk juist zijn. Verweerder heeft daarnaast voldoende toegelicht dat de lichte gronden bijdragen aan een significant risico op onttrekking aan het toezicht. De zware en lichte gronden konden daarom ten grondslag worden gelegd aan de maatregel en kunnen de maatregel ook dragen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_4dbde3d2-ce0e-4cf4-ac14-137f0720721b" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan op 19 juni 2024 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Ż.A. Meinert, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_109fa1dd-8fb2-4cd0-8398-996c8b626db4" label="1">
    <para>Vreemdelingenwet 2000. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_730c08d6-5516-4017-85b4-4babde4c215d" label="2">
    <para> Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer &amp; Ondersteuning 2022.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d3505d30-cdca-4628-a3c6-ced64ae4052d" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8a40cbb5-4c07-47f3-8fc1-bbfcef10bf13" label="4">
    <para> ECLI:NL:RVS:2022:1195.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_75317205-8329-434e-ae83-8960b2e94304" label="5">
    <para>Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a987eebd-0a33-4558-bd97-2b7e300adb54" label="6">
    <para>Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4dbde3d2-ce0e-4cf4-ac14-137f0720721b" label="7">
    <para>Hof van Justitie van de Europese Unie 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>