<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:9809</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-25T11:37:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-14</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.22272</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9809">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9809</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-25T10:45:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:9809 Rechtbank Den Haag , 14-06-2024 / NL24.22272</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:9809:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring, eerste beroep, het redelijk vermoeden van illegaal verblijf, het gehoor voorafgaand aan de bewaring, art. 5.3 lid 1 Vb, lichter middel, ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:9809:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="be20aacd-751d-4052-ae7b-e1d6763a48a8" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="179cf498-ed6a-4573-a75b-10ad52d2536a" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL24.22272</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer]</bridgehead>
    <parablock>
      <para>(gemachtigde: mr. H. Loth), en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, de staatssecretaris (gemachtigde: I. Vugs).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 23 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Lofti. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1963.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het redelijk vermoeden van illegaal verblijf</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>2. Eiser stelt dat het binnentreden in de woning en de staandehouding onrechtmatig zijn. Hij voert daartoe aan dat uit het proces-verbaal van de staandehouding van</para>
    <para>23 mei 2024 (model M105) slechts blijkt dat de verbalisanten van hun collega’s vernamen dat hij op een bepaald adres verblijft en dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Deze informatie is volgens eiser onvoldoende concreet om daarop een redelijk vermoeden van illegaal verblijf te kunnen baseren.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit model M105 blijkt namelijk óók dat een van de verbalisanten, na het ontvangen van de melding dat eiser illegaal is en verblijft op het bewuste adres, de gegevens van eiser heeft nagetrokken in de hem ter beschikking staande systemen. Deze verbalisant bleek toen dat eiser sinds 31 oktober 2022 inderdaad geen</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Op basis hiervan hadden de verbalisanten voldoende feiten en omstandigheden waarop kon worden gebaseerd dat jegens eiser een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. De machtiging tot binnentreden is daarom op goede gronden afgegeven en gebruikt en de staandehouding van eiser is rechtmatig geschied. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het gehoor voorafgaand aan de bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Het gehoor voorafgaand aan de bewaring heeft plaatsgevonden in het Nederlands. Eiser stelt dat de staatssecretaris hierbij onzorgvuldig is geweest. Hij voert daartoe aan dat de staatssecretaris heeft nagelaten om hem erover te informeren dat desgewenst alsnog gebruik kon worden gemaakt van een tolk Arabisch. Ook voert eiser aan dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gecontroleerd of eiser het Nederlands in voldoende mate kon begrijpen.</para>
    <para>5. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uit het gehoor voorafgaand aan de maatregel van bewaring blijkt dat aan eiser is gevraagd in welke taal hij het gehoor wilde voeren. Eiser heeft toen zelf aangegeven dit in het Nederlands te willen doen. Voorts is op pagina 2 van het proces-verbaal van gehoor van 23 mei 2024 (model M110) het volgende vermeld:</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“V: U wordt gehoord in de Nederlandse taal. U beheerst deze taal goed. Maar als u toch liever een Arabische tolk wilt dan maken we daar gebruik aan. Welke taal heeft uw voorkeur?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Ik heb het liefst dat we dit gesprek in het Nederlands doen. Mocht ik het toch niet begrijpen dan geef ik het aan.”</emphasis>
      </para>
      <para>Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat de staatssecretaris eiser wel degelijk</para>
      <para>heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om een tolk Arabisch in te schakelen. Gedurende en na afloop van dit gehoor heeft eiser niet kenbaar gemaakt dat hij van deze gelegenheid gebruik wilde of had willen maken. Uit model M110 blijkt verder dat de staatssecretaris nog diverse keren bij eiser heeft geïnformeerd of hij de verstrekte informatie had begrepen. Eiser heeft hierop telkens bevestigend gereageerd. Voorts heeft de inhoud en het verloop van het gehoor de staatssecretaris geen aanleiding hoeven geven voor de indruk dat eiser het Nederlands onvoldoende verstond en sprak. De beroepsgrond faalt dus.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Eiser stelt dat de staatssecretaris heeft gehandeld in strijd met artikel 5.3, eerste lid, van het Vb. De staatssecretaris heeft immers nagelaten om hem bij de uitreiking van het bestreden besluit schriftelijk, in een taal die hij verstaat, op de hoogte te brengen van de gronden van de bewaring. Eiser wijst er hier ook op dat het gehoor heeft plaatsgevonden zonder de bijstand van een tolk Arabisch. Weliswaar is eiser het bestreden besluit op schrift overhandigd, maar de staatssecretaris heeft daarbij niet gecontroleerd of eiser daadwerkelijk Nederlands kon lezen.</para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank volgt eiser ook hierin niet. Op pagina 8 van het model M110 is namelijk vermeld:</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“V: Kunt u lezen en schrijven in de Nederlandse taal? A: Jazeker.”</emphasis>
      </para>
      <para>Hieruit maakt de rechtbank op dat eiser desgevraagd heeft bevestigd dat hij Nederlands kan</para>
      <para>lezen. De rechtbank stelt verder vast dat het bestreden besluit aan eiser is uitgereikt. In het bestreden besluit is vermeld op welke gronden hij in bewaring is gesteld en dat hij tegen het besluit een rechtsmiddel kan aanwenden. Eiser heeft deze informatie kunnen lezen. In zoverre heeft de staatssecretaris dus voldaan aan het vereiste van artikel 5.3 van het Vb.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para>8. Het dossier geeft er evenwel geen blijk van dat de staatssecretaris eiser bij het uitreiken van het bestreden besluit ook heeft geïnformeerd over het recht op gratis rechtsbijstand en het recht op consulaire bijstand. In zoverre heeft de staatssecretaris het voorschrift van artikel 5.3, eerste lid, van het Vb, niet in acht genomen. Dit levert een gebrek op. Dit gebrek maakt de inbewaringstelling echter pas onrechtmatig, als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank overweegt in dat verband dat eiser blijkens model M110 voorafgaand aan de bewaring over deze rechten is geïnformeerd. De schending is daarom beperkt. De rechtbank ziet geen aanleiding om het bestreden besluit onrechtmatig te verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <bridgehead role="italic">De gronden van bewaring</bridgehead>
    <para>9. In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De staatssecretaris heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:</para>
    <parablock>
      <para>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</para>
      <para>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;</para>
      <para>3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;</para>
      <para>3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:</para>
      <para>4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;</para>
      <para>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;</para>
      <para>4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.</para>
      <para>De staatssecretaris heeft de zware grond 3a ter zitting prijsgegeven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. De rechtbank oordeelt dat de zware grond 3i feitelijk juist is en voldoende is gemotiveerd. Eiser heeft namelijk bij herhaling verklaard niet te willen meewerken aan zijn terugkeer. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij niet terug kan keren naar Marokko, omdat hij zich schaamt voor zijn huidige situatie tegenover zijn familie in Marokko. Eén en ander duidt er niet op dat eiser medewerking aan zijn uitzetting zal verlenen, dan wel dat hij zelfstandig naar Marokko zal uitreizen. Verder heeft eiser de zware grond 3b niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat ook deze grond feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is. De zware gronden onder 3b en 3i zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. De geschilpunten over de overige gronden behoeven geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. Eiser voert aan dat hij al zeventien jaar in Nederland is, dat hij geen strafrechtelijke antecedenten heeft en dat hij af en toe een beetje bijklust. Gelet op deze omstandigheden meent hij dat een inbewaringstelling onredelijk bezwarend is en dat er geen risico is dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen zal onttrekken. Er had met een meldplicht kunnen worden volstaan.</para>
    <para />
    <para />
    <para>12. Bij de beantwoording van de vraag of de staatssecretaris met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat dit bij eiser het geval is. Uit de gronden van de maatregel van bewaring blijkt namelijk dat er een risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht is. Voorts heeft de staatssecretaris afdoende gemotiveerd dat en waarom een meldplicht onvoldoende garantie biedt dat eiser daadwerkelijk naar Marokko zal vertrekken. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toetsing</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van R.A. Oelen, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>14 juni 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="e74a2ab4-1f7a-43c6-a71a-e51d0f378813" depth="89" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>