<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:9259</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-28T10:05:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-06-17</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 24/1086</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9259">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:9259</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-14T16:18:26</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:9259 Rechtbank Den Haag , 17-06-2024 / SGR 24/1086</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:9259:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek om overbrenging vanuit Afghanistan. Tolkenregeling. Beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:9259:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 24/1086 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juni 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit Afghanistan, eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. J.J. Eizenga),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Defensie, verweerder</title>
    <para>(gemachtigde: mr. M.J. Alink).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om overbrenging vanuit Afghanistan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft op 12 juni 2023 (langs elektronische weg) een verzoek om overbrenging ingediend bij het ministerie van Defensie en het ministerie van Buitenlandse Zaken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 30 oktober 2023 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld en verzocht uiterlijk binnen twee weken een besluit te nemen op zijn verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 29 januari 2024 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het verzoek om overbrenging.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.5.</nr>
      <para>De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.<footnote-ref linkend="_ee0d0cec-caf7-4cd6-832a-aa789a70f320" /></para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. Op 12 juni 2023 heeft eiser per e-mail een verzoek bij verweerder ingediend om hem en zijn familieleden over te brengen vanuit Afghanistan naar Nederland. Eiser heeft eerder op 9 november 2022 al een verzoek gedaan, maar daar ook geen reactie op ontvangen. Eiser stelt dat hij werkzaam is geweest als bewaker/poortwachter bij Afghan Security Guard (ASG) in [naam kamp] nabij [plaatsnaam] , [provincie] . Hij heeft in zijn verzoek een beroep gedaan op zowel de Tolkenregeling als op de bij brief van 11 oktober 2021 getroffen speciale voorziening<footnote-ref linkend="_017c1e34-22fd-4e65-90b3-8d2dc45596e4" />. Verweerder heeft laten weten dat het verzoek op grond van de speciale voorziening in behandeling is bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Het deel van het verzoek dat ziet op de Tolkenregeling wordt behandeld door verweerder. De hoogste bestuursrechter heeft op 10 april 2024 geoordeeld<footnote-ref linkend="_1f2eba83-0ebe-4626-87c8-64b9c8617349" /> dat de afwijzing van een verzoek op grond van de Tolkenregeling een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft niet op het verzoek van eiser gereageerd. Tegen het niet tijdig beslissen staat beroep bij de rechtbank open.<footnote-ref linkend="_fd37a594-0508-4a87-aeb5-8c394350aa75" /> De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat de beslistermijn is verstreken. De rechtbank stelt ook vast dat eiser verweerder bij email van 30 oktober 2023 heeft meegedeeld dat hij in gebreke is. Het beroep is gegrond.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank draagt verweerder op binnen een termijn van 2 weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op het verzoek te nemen.<footnote-ref linkend="_aa45c324-7bd1-40e6-9e65-62b6d6285653" /> De rechtbank bepaalt ook dat verweerder een dwangsom van € 100,- verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.<footnote-ref linkend="_e4d8bdb3-b1d0-4199-81be-22e296d09213" /></para>
    <para />
    <para>5. Nu de rechtbank niet is gebleken dat verweerder een besluit heeft genomen over de hoogte van de dwangsom zal de rechtbank desgevraagd de hoogte van de dwangsom vaststellen.<footnote-ref linkend="_7a6af4a7-6cfa-47b2-b743-7fde130e6290" /> De rechtbank gaat ervan uit dat verweerder de ingebrekestelling op 30 oktober 2023 heeft ontvangen. De rechtbank is van oordeel dat een dwangsom over 42 dagen is verbeurd. De hoogte van de verbeurde dwangsom is dan ook € 1.442,-.<footnote-ref linkend="_d8882b0b-cb81-40f1-be82-f0903fa850d9" /></para>
    <para />
    <para>6. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 437,50 (1 punt x factor 0,5 x € 875,-) als kosten van verleende rechtsbijstand. De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van licht gewicht is, omdat het alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.<footnote-ref linkend="_01d9fcb3-c950-4087-a5e2-1dfbb9f06437" /> Er is geen griffierecht betaald, daarom hoeft verweerder geen griffierecht te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat verweerder binnen 2 weken alsnog een besluit op het verzoek van eiser moet nemen.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op binnen 2 weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>stelt de verbeurde dwangsom vast op € 1.442,-;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- veroordeelt verweerder tot betaling van € 437,50 aan proceskosten aan eiser.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. KerstensFockens, rechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over verzet</title>
    <para>Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. </para>
  </section>
  <footnote id="_ee0d0cec-caf7-4cd6-832a-aa789a70f320" label="1">
    <para> Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_017c1e34-22fd-4e65-90b3-8d2dc45596e4" label="2">
    <para> Kamerstukken II 2021/22, 27 925, nr. 860.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1f2eba83-0ebe-4626-87c8-64b9c8617349" label="3">
    <para> Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1500.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_fd37a594-0508-4a87-aeb5-8c394350aa75" label="4">
    <para> Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa45c324-7bd1-40e6-9e65-62b6d6285653" label="5">
    <para> Artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e4d8bdb3-b1d0-4199-81be-22e296d09213" label="6">
    <para> Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7a6af4a7-6cfa-47b2-b743-7fde130e6290" label="7">
    <para> Artikel 8:55c van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d8882b0b-cb81-40f1-be82-f0903fa850d9" label="8">
    <para> Gezien het bepaalde in artikel 4:17, tweede lid, van de Awb.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_01d9fcb3-c950-4087-a5e2-1dfbb9f06437" label="9">
    <para> Zie het Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>