<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:8795</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-14T08:01:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-31</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 23/8471</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:8795">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:8795</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-06-07T11:44:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-06-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:8795 Rechtbank Den Haag , 31-05-2024 / SGR 23/8471</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:8795:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vaststelling tegemoetkoming NOW-3. Artikel 4:46 Awb.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:8795:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Zaaknummer: SGR 23/8471 NOW</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2024 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Trius Polytechniek B.V., te Zoetermeer, eiseres</title>
    <para>gemachtigde: M. Bol Raap</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid</title>
    <parablock>
      <para>namens deze: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (het Uwv), verweerder</para>
      <para>gemachtigden: mr. J.J. Grasmeijer en M.A. Brouwer.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft bij besluit van 27 juli 2023 (het primaire besluit) de definitieve tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de Derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW-3) op nihil vastgesteld en het volgens verweerder teveel betaalde voorschot ten bedrage van € 25.629,- van eiseres teruggevorderd. Het daartegen door eiseres gemaakte bezwaar is bij besluit van 10 november 2023 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het bestreden besluit.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank heeft het beroep op 10 mei 2024 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar ieraanieraangemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>5. Eiseres heeft op 6 juli 2023 de aanvraag definitieve tegemoetkoming in de loonkosten op grond van de NOW-3 ingediend in verband met een omzetverlies van 10% in de periode van december 2020 tot en met februari 2021. Dit heeft geleid tot het primaire besluit. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.</para>
    <para />
    <para>6. In het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat het omzetverlies minimaal 20% moet zijn om in aanmerking te komen voor een definitieve tegemoetkoming op grond van de NOW-3. Omdat eiseres in de periode waarvoor zij een tegemoetkoming op grond van de NOW-3 heeft ontvangen een omzetverlies van 10% had, was verweerder ertoe gehouden om de definitieve tegemoetkoming op nihil vast te stellen. </para>
    <para />
    <para>7. Eiseres stelt in beroep primair dat artikel 4:46, tweede lid, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen grondslag biedt voor de vaststelling van de subsidie op nihil, omdat in de verleningsbeschikking niet wordt vermeld dat sprake moet zijn van een omzetverlies van minimaal 20% om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-3. Subsidiair stelt eiseres, voor zover artikel 4:46, tweede lid, onder d, van de Awb die grondslag wel kan bieden, dat de toepassing daarvan niet mogelijk is omdat eiseres niet kan worden verweten dat de subsidieverlening anderszins onjuist was. Pas na de verlening van de subsidie is voor eiseres duidelijk geworden dat de omzetdaling minder dan 20% was. Meer subsidiair stelt eiseres dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden. Het publieke belang, zoals door verweerder gesteld, is in dit geval onvoldoende. De afweging getuigt niet van een <emphasis role="italic">fair balance</emphasis>. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>8.	De rechtbank overweegt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>8.1</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat artikel 4:46, tweede lid, onder d, van de Awb een grondslag biedt voor de subsidievaststelling op nihil (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:139). De rechtbank constateert dat in combinatie met artikel 24, vijfde lid, onder a, van de NOW-3 verweerder aanvragers kan tegenwerpen dat de loonsom is gedaald. De subsidieverlening is onder dergelijke omstandigheden (anderszins) onjuist. 	De betreffende beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.2</nr>
      <para>De rechtbank overweegt voorts, zoals ter zitting gebleken, dat niet in geschil is dat eiseres voorafgaand aan de aanvraag goed op de hoogte was van de regeling dat sprake moet zijn van een omzetverlies van minimaal 20% om in aanmerking te komen voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-3. Nu eiseres de regelgeving kende en wist wat de consequenties van een omzetdaling van minder dan 20% zouden zijn, kon zij weten dat bij die feitelijke omzetdaling de subsidieverlening onjuist was. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in het geval van eiseres tot een lagere vaststelling heeft kunnen komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>8.3</nr>
      <para>De rechtbank is met verweerder voorts van oordeel dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan de belangenafweging tot een andere uitkomst had moeten leiden. Eiseres heeft op dit punt niets, althans onvoldoende, naar voren gebracht. Gelet hierop ziet de rechtbank voor een nadere bespreking van de door eiseres ter zitting aangeduide Europese jurisprudentie geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <para>9. Gelet op het voorgaande is de subsidievaststelling naar het oordeel van de rechtbank op de juiste wijze berekend en heeft verweerder terecht het voorschot teruggevorderd.</para>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>