<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-18T16:02:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-22</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL22.22126</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:4248" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:4248, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:861">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:861</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-26T10:51:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:861 Rechtbank Den Haag , 22-01-2024 / NL22.22126</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:861:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>terugkeerbesluit, vertrektermijn, geen rechtmatig verblijf in Nederland, het indienen van een bezwaarschrift tegen de feitelijke handeling van het niet in behandeling nemen van een aanvraag heeft geen van rechtswege schorsende werking en leidt niet tot rechtmatig verblijf,  beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:861:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL22.22126</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiseres</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigden: mr. K. Bruin en mr. J. Vreijsen).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 oktober 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 31 oktober 2022 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 11 november 2022 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 23 december 2022 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend. Zij heeft daarbij eveneens verzocht om een schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 28 februari 2023 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb<footnote-ref linkend="_5d3da0bb-124e-4cda-8223-4dc919198c24" /> uitspraak zonder zitting.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1994 en de Russische nationaliteit te hebben.</para>
    <para />
    <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder tegen eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarbij een vertrektermijn van vier weken aan eiseres is geboden. Gebleken is dat eiseres niet langer rechtmatig in Nederland verbleef. Aan het terugkeerbesluit wordt ten grondslag gelegd dat eiseres eerder een visum heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt. Aan die verplichting heeft zij geen gevolg gegeven. </para>
    <para>3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat ten onrechte een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en zij verzoekt daarbij om schadevergoeding. Eiseres voert aan dat zij op basis van een visum kort verblijf Nederland is binnen gekomen en dat zij dit visum niet (tijdig) kon verlengen vanwege de beperkte geldigheid van haar paspoort. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag om verlenging van haar visum. Verder heeft eiseres inmiddels een aanvraag om verlening van verblijfsvergunning voor verblijf bij haar Nederlandse partner ingediend. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Op de vreemdeling die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft rust van rechtswege de verplichting om Nederland uit eigen beweging te verlaten.<footnote-ref linkend="_6737388a-43e5-4acf-9d95-0391c4d1b657" /> Deze termijn bedraagt in beginsel vier weken.<footnote-ref linkend="_38d1eb40-f28b-4ea1-b4a7-21f44e21ecc3" /> Aan vreemdelingen van wie een risico op onttrekking aan het toezicht wordt aangenomen kan een kortere termijn voor vertrek worden gegund of kan een vertrektermijn worden onthouden.<footnote-ref linkend="_8923cbeb-82c2-4f70-9d5e-b9296f64ace5" /> De vertrekplicht en de termijn waarbinnen daaraan gevolg moet worden gegeven, worden aan de vreemdeling meegedeeld in een terugkeerbesluit.<footnote-ref linkend="_8eee4337-578d-4a5b-a2bc-c69844470b7e" /></para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiseres niet rechtmatig in Nederland verbleef op het moment dat het terugkeerbesluit werd uitgevaardigd. Het is niet in geschil dat het visum van eiseres verlopen was ten tijde van het uitvaardigen van het terugkeerbesluit. De omstandigheid dat eiseres bezwaar heeft ingediend tegen de feitelijke handeling van het niet in behandeling nemen van haar aanvraag om verlenging van het visum kort verblijf, leidt niet tot een rechtmatig verblijf in Nederland. Uit de wetsgeschiedenis<footnote-ref linkend="_bae10dab-b337-4980-ad9b-82a49ad5db5f" /> en de jurisprudentie<footnote-ref linkend="_a85b35b0-3423-42e3-ac69-498755f37a01" /> van de Afdeling volgt dat het indienen van een dergelijk bezwaarschrift geen van rechtswege schorsende werking heeft en geen rechtmatig verblijf oplevert.<footnote-ref linkend="_96d8289d-d726-4ecc-8f69-7c25d0db3203" /> Daarnaast leidt de enkele mededeling dat eiseres voornemens was om een aanvraag om een verblijfsvergunning in te dienen, niet tot de onrechtmatigheid van een reeds uitgevaardigd terugkeerbesluit. Beslissend is dat eiseres op het moment dat het terugkeerbesluit werd uitgevaardigd niet in afwachting was van een beslissing op een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning.<footnote-ref linkend="_b8c8668c-18d6-4f0d-a4fb-33b627899c57" /></para>
    <para />
    <para>6. Gelet op de aan eiseres geboden vertrektermijn, behoeft hetgeen in het terugkeerbesluit is opgenomen over het al dan niet bestaan van een risico op onttrekking geen bespreking. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die voor verweerder aanleiding hadden moeten zijn om af te zien van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>8. Verweerder hoeft geen proceskosten te vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.</para>
      <para />
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_5d3da0bb-124e-4cda-8223-4dc919198c24" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_6737388a-43e5-4acf-9d95-0391c4d1b657" label="2">
    <para> Artikel 61, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_38d1eb40-f28b-4ea1-b4a7-21f44e21ecc3" label="3">
    <para> Artikel 62, eerste lid, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8923cbeb-82c2-4f70-9d5e-b9296f64ace5" label="4">
    <para> Artikel 62, tweede lid, van de Vw</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8eee4337-578d-4a5b-a2bc-c69844470b7e" label="5">
    <para> Artikel 62a, tweede lid, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bae10dab-b337-4980-ad9b-82a49ad5db5f" label="6">
    <para> Kamerstukken II, nr. 3, p. 73 (<emphasis role="italic">Memorie van Toelichting).</emphasis></para>
  </footnote>
  <footnote id="_a85b35b0-3423-42e3-ac69-498755f37a01" label="7">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 13 mei 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AP1675.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_96d8289d-d726-4ecc-8f69-7c25d0db3203" label="8">
    <para> Als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_b8c8668c-18d6-4f0d-a4fb-33b627899c57" label="9">
    <para> Als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>