<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:7451</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-01-08T14:55:48</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-05-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.19108</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:5029" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:5029, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:7451">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:7451</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-17T10:22:02</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:7451 Rechtbank Den Haag , 13-05-2024 / NL24.19108</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:7451:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>bewaring, eerste beroep, 59.1a, validatie handtekening, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:7451:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL24.19108</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [Naam], eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [Nummer]</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 8 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. I. Polac. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [Geboortedatum].</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Valideren van de handtekening</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Eiser voert aan dat verweerder niet heeft voldaan aan het verzoek van de rechtbank van 6 mei 2024, zodat de handtekening van de maatregel van bewaring niet gevalideerd kan worden. Nu dit het geval is, is de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig en dient het beroep gegrond te worden verklaard. </para>
    <para />
    <para>3. Deze beroepsgrond slaagt niet. Omdat gebleken is dat de handtekening onder de maatregel die verweerder in het digitale systeem van de rechtspraak heeft geplaatst niet kan worden gevalideerd, heeft de rechtbank verweerder op 6 mei 2024 verzocht om vóór dinsdag 7 mei 2024 12:00 uur, een digitaal afschrift van de maatregel per e-mail toe te zenden. Verweerder heeft op 6 mei 2024 om 16:04 uur aan dat verzoek gehoor gegeven. Weliswaar had de rechtbank verweerder verzocht om tevens een afschrift aan eiser te verstrekken, hetgeen verweerder heeft verzuimd, echter laat dit onverlet dat verweerder tijdig (deels) aan het verzoek van de rechtbank heeft voldaan én dat de rechtbank de handtekening heeft kunnen valideren. De rechtbank heeft zodoende de ondertekenaar geïdentificeerd, vastgesteld dat handtekening voldoet aan de in artikel 2:16 van de Awb<footnote-ref linkend="_6a25785d-2db5-4135-9b62-c98e5f21981c" /> gestelde vereisten en dat het document sinds de ondertekening ongewijzigd is gebleven.. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel om die reden onrechtmatig is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De maatregel van bewaring</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:</para>
    <parablock>
      <para>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging</para>
      <para>daartoe gedaan;<?linebreak?>3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;<?linebreak?>3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;</para>
      <para>
        <?linebreak?>en als lichte gronden vermeld dat eiser:<?linebreak?>4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;<?linebreak?>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De zware gronden zijn reeds voldoende om aan te nemen dat een risico op onttrekking bestaat. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Onderzoek naar detentiegeschiktheid</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het besluit om eiser in bewaring te stellen onzorgvuldig tot stand is gekomen, waardoor sprake is van een onrechtmatige inbewaringstelling. Verweerder is namelijk bekend met eisers verslavingsproblematiek en had daarin aanleiding moeten zien om eiser voorafgaande aan de bewaring te onderzoeken op detentiegeschiktheid. Bovendien had eiser alvorens hem in bewaring te stellen bezocht en beoordeeld moeten worden door de piketarts. Eiser beroept zich in dat verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2023.<footnote-ref linkend="_58811124-4751-46e9-b85d-435716f8ab32" /></para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is van oordeel dat ook deze beroepsgrond niet slaagt. Voorafgaand aan de maatregel van bewaring is eiser gehoord. Daarin is blijkens het proces-verbaal van gehoor (M110) het volgende besproken:</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Hoe gaat het met u gezondheid? Staat u onder doktersbehandeling?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Nee. Ik ben gezond en sta niet onder behandeling en gebruik geen medicijnen.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Bent u verslaafd?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Nee.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Bent u alcoholverslaafde?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Ik drink wel maar ik ben niet verslaafd.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Heeft u psychische problemen waar we rekening mee moeten houden?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Nee.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Wat vindt u van dit voornemen om u in bewaring te stellen ten fine van uitzetting?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Niets.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Zijn er overige redenen en/of bijzondere omstandigheden waar ik niet naar gevraagd heb</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">maar die u wel wil benoemen?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Nee.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Zijn er redenen of omstandigheden die u kunt aandragen waarom ik u niet in</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">vreemdelingenbewaring moet stellen? </emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Ik weet het niet.</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">V: Is alles u duidelijk en/of heeft u nog vragen aan mij?</emphasis>
      </para>
      <para>
        <emphasis role="italic">A: Ik heb geen vragen.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Weliswaar is verweerder bekend met de (alcohol)verslavingsproblematiek van eiser, zoals ook blijkt uit de maatregel van bewaring, maar verweerder heeft in hetgeen eiser naar voren heeft gebracht tijdens het gehoor voorafgaande aan de bewaring, geen aanleiding hoeven zien om eiser aan een (nader) medisch onderzoek te onderwerpen in het kader van detentie(on)geschiktheid. Eiser heeft daartoe niets aangevoerd, noch is hiervan anderszins gebleken.<footnote-ref linkend="_eeeca298-0028-4310-ad23-e21df3f594bc" /> Dit geldt evenzeer voor een mogelijke drugsverslaving, zoals gesuggereerd door de gemachtigde van eiser ter zitting. Daarvan is niets terug te vinden in het dossier noch heeft eiser het beroep daarop nader onderbouwd en geconcretiseerd. Uit de uitspraak van de Afdeling waar eiser zich op beroept leidt de rechtbank evenmin af dat de Afdeling een cumulatief criterium heeft gecreëerd, zodanig dat in het geval van verslavingsproblematiek van een vreemdeling verweerder steevast een piketarts moet waarschuwen.</para>
    <para />
    <para>9. Voor zover eiser heeft betoogd dat de gezondheidszorg in het detentiecentrum Rotterdam, waar eiser verblijft, gelijkwaardig moet zijn aan de vrije maatschappij, heeft eiser nagelaten met concrete feiten en omstandigheden te onderbouwen dat hiervan geen sprake is. Dit klemt te meer nu in rechtspraak wordt aangenomen dat hiervan wel sprake is.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ambtshalve toets </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij ook ambtshalve oordelend, geen onregelmatigheden heeft vastgesteld bij de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring die leiden tot onrechtmatigheid van de maatregel.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie<?linebreak?></title>
    <para>11. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.</para>
    <para />
    <para>12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl</para>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_6a25785d-2db5-4135-9b62-c98e5f21981c" label="1">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_58811124-4751-46e9-b85d-435716f8ab32" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2023:4219.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_eeeca298-0028-4310-ad23-e21df3f594bc" label="3">
    <para> Bijvoorbeeld uit de strafrechtelijke detentie- zie hiervoor ECLI:NL:RBDHA:2023:6208.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>