<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:7121</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-10T15:09:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 23/3404</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_socialezekerheidsrecht">Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:7121">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:7121</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-05-10T15:08:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:7121 Rechtbank Den Haag , 11-04-2024 / SGR 23/3404</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:7121:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser niet-ontvankelijk in zijn bezwaar; geen gronden ingediend.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:7121:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: SGR 23/3404</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">11 april 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], te [woonplaats], eiser</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: C. Schravesande).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft bij besluit van 10 februari 2023 (het primaire besluit) de aanvraag van eiser om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) afgewezen. Het daartegen door eiser gemaakte bezwaar is bij besluit van 2 mei 2023 (bestreden besluit) niet-ontvankelijk verklaard. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank heeft het beroep op 11 april 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing:</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling </title>
    <para />
    <para>4. In geschil is de vraag of verweerder eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar, met als reden dat eiser geen gronden van het bezwaar heeft ingediend.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Juridisch kader</emphasis>
      </para>
      <para>Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat het bezwaarschrift de gronden van het bezwaar. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het bezwaar nietontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat eiser op 24 maart 2023 een bezwaarschrift heeft ingediend tegen de afwijzing van zijn WIA aanvraag. Dit bezwaarschrift bevat geen gronden.</para>
    <para>6. De rechtbank constateert dat verweerder eiser bij brief van 24 maart 2023 verzocht heeft om de gronden uiterlijk 24 april aan te vullen, met de mededeling dat bij gebreke hiervan het bezwaar niet ontvankelijk zou worden verklaard. In de stukken en ter zitting is gesteld noch gebleken dat eiser het bezwaar binnen de gestelde termijn heeft aangevuld. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank constateert voorts dat verweerder op 1 mei 2023 contact heeft opgenomen met eiser. Blijkens de schriftelijke rapportage van dit gesprek heeft eiser aan verweerder te kennen gegeven dat de gronden niet zouden volgen. De rapportage noteert voorts dat bij dit gesprek een tolk en een vrouw die Nederlands spreekt aanwezig waren. </para>
    <para>Eiser heeft dit niet betwist.</para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht eiser niet-ontvankelijk verklaard. Immers, het bezwaarschrift bevatte geen gronden. Verweerder heeft vervolgens eiser de gelegenheid geboden deze alsnog in te dienen, en verweerder heeft, toen bleek dat de gronden niet alsnog waren aangevoerd, met eiser contact opgenomen om zich ervan te vergewissen dat de gronden niet zouden volgen. </para>
    <para />
    <para>9. Naar het oordeel van de rechtbank doet hieraan niet af dat eiser nadien in beroep bezwaargronden heeft overgelegd. Niet alleen zijn deze gronden niet tijdig ingediend, maar ook overigens ontbreekt een toelichting waarom deze gronden te laat zijn ingediend. </para>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C.G. Meeder, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De griffier is buiten staat			rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>