<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:6469</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-11-14T13:00:47</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL24.16092</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Arnhem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2024:4118" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2024:4118, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:6469">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:6469</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-30T11:09:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-05-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:6469 Rechtbank Den Haag , 29-04-2024 / NL24.16092</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:6469:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bewaring beroep ongegrond. Ophouding berust op juiste grondslag en geen reden om te twijfelen aan zicht op uitzetting</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:6469:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Zittingsplaats Arnhem</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: NL24.16092</para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 april 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser], v-nummer: [nummer], eiser</title>
    <para>(gemachtigde: mr. D.P.J. Cain),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, </title>
    <para>(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 11 april 2024 waarin de staatssecretaris aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) heeft opgelegd. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser (via een beeldbelverbinding) en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <para>2. De rechtbank beoordeelt of de staatssecretaris eiser in bewaring had mogen stellen. Zij doet dat onder meer aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de zogenoemde beroepsgronden.</para>
    <para />
    <para>3. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris heeft terecht de maatregel van bewaring opgelegd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ophouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. Eiser stelt dat ten onrechte artikel 50, tweede lid, van de Vw ten grondslag is gelegd aan zijn ophouding, nu zijn identiteitsgegevens bekend waren uit het strafrechtelijk voortraject. Volgens eiser is dit een gebrek in de besluitvorming en zou dit moeten leiden tot opheffing. Indien de rechtbank dit niet volgt en oordeelt dat de belangen van de staatssecretaris bij het passeren van het gebrek zwaarder wegen, moet dit in ieder geval reden zijn voor een veroordeling in de proceskosten. </para>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De rechtbank volgt eiser hierin niet. De staatssecretaris heeft er op de zitting terecht op gewezen dat niet uitgegaan hoeft te worden van strafrechtelijke informatie als de vreemdeling geen identificerende documenten heeft. Dit volgt ook uit de rechtspraak.<footnote-ref linkend="_4d4c68d2-fd4e-4701-b0d6-47f3659fb516" /> Uit de stukken blijkt dat eiser niet in het bezit was van een identificerend document of een ander document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Nu eiser zijn identiteit niet op een andere wijze kon bevestigen, stond zijn identiteit en nationaliteit niet vast. De staatssecretaris heeft eiser daarom op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw mogen ophouden. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Zicht op uitzetting</emphasis>
        </para>
        <para>5.	Eiser voert aan dat er geen redelijk vooruitzicht op uitzetting is. Eiser beschikt niet over identificerende documenten, zodat het volgens hem niet is te verwachten dat de Algerijnse autoriteiten mee zullen werken aan het verstrekken van een laissez-passer (lp). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de rechtspraak blijkt dat er sinds december 2023 de mogelijkheid bestaat om Algerijnse vreemdelingen te identificeren op basis van dacty.<footnote-ref linkend="_bff22347-8ca4-4cdd-afb9-f1118d1abbe7" />In 2024 is van zes ongedocumenteerden de Algerijnse nationaliteit bevestigd en is de afgifte van een lp toegezegd.<footnote-ref linkend="_8d2d464e-307d-476e-861d-c91f51f8238d" /> Op de zitting heeft de staatssecretaris een overeenkomstige toelichting gegeven. Uit het dossier blijkt dat van eiser zijn vingerafdrukken zijn afgenomen zodat er geen reden is om aan te nemen dat in het geval van eiser geen lp zal worden verstrekt omdat hij niet zou beschikken over een (kopie) identiteitsdocument. De rechtbank is dan ook van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije ontbreekt en er geen indicaties zijn dat dit in het geval van eiser anders is.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?</emphasis>
        </para>
        <para>6.	Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de staatssecretaris en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de maatregel niet is voldaan.<footnote-ref linkend="_9c4774b5-a192-4b28-af38-d95c293becc6" /></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>Conclusie en gevolgen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>7.	Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de inbewaringstelling van eiser rechtmatig is en de staatssecretaris geen schadevergoeding aan eiser hoeft te betalen. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond;<?linebreak?>- wijst het verzoek om schadevergoeding af.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van J. de Graaf, griffier.</para>
      <para>De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4d4c68d2-fd4e-4701-b0d6-47f3659fb516" label="1">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 21 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20695.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bff22347-8ca4-4cdd-afb9-f1118d1abbe7" label="2">
    <para>Dactyloscopie, techniek voor het identificeren van vingerafdrukken.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_8d2d464e-307d-476e-861d-c91f51f8238d" label="3">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 4 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:5037.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9c4774b5-a192-4b28-af38-d95c293becc6" label="4">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>