<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:616</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-23T07:52:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">SGR 23/4913</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:616">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:616</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-23T07:52:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:616 Rechtbank Den Haag , 03-01-2024 / SGR 23/4913</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:616:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep NTB. Bestuursrechter onbevoegd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:616:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Bestuursrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 23/4913 </para>
  </parablock>
  <bridgehead>
    <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 januari 2024 in de zaak tussen</bridgehead>
  <section>
    <title>
      <?linebreak?>
      [eiser] , uit [woonplaats] , eiser</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de minister van Financiën </title>
    <para>(gemachtigde: mr. [naam]).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Inleiding</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om schadevergoeding van 23 juni 2021.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.<?linebreak?></para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De rechtbank doet uitspraak zonder zitting omdat partijen een zitting niet nodig hebben geacht. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling door de rechtbank</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Waar gaat deze zaak over? </emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. Op 23 juni 2021 heeft eiser bij verweerder een schadeverzoek ingediend omdat hij ten onrechte door de Belastingdienst op de Fraude Signalering Voorziening (FSV) zou zijn geplaatst. Daardoor was het voor het bedrijf [bedrijfsnaam] B.V., waar eiser directeur van is, niet mogelijk om een btw-identificatienummer aan te vragen. Eiser stelt dat als gevolg daarvan de B.V. aanzienlijke omzetderving heeft gehad, waarvan de schade wordt geschat op circa € 500.000,-. Eiser zelf verzoekt om een schadevergoeding van € 10.704,-. </para>
    <para />
    <para>3. Bij brief van 2 september 2021 heeft eiser verweerder aan het schadeverzoek herinnerd. Verweerder heeft de brief opgevat en aangemerkt als een ingebrekestelling. Daarna heeft meermaals telefonisch contact tussen partijen plaatsgevonden. Omdat vervolgens een verdere reactie uitbleef, heeft eiser op 7 juli 2023 verzoekschriften ingediend bij de sector Kanton van deze rechtbank. Bij vonnis van 14 juli 2023 heeft de kantonrechter de zaak doorverwezen naar de bestuursrechter. </para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. De bestuursrechter is onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.<?linebreak?></para>
    <para>5. De reactie van verweerder die eiser met deze procedure probeert te verkrijgen is geen besluit in de zin van het bestuursrecht.<footnote-ref linkend="_30ff938c-10b7-46a8-bc6f-e4c05e3f2f63" /> Dit omdat het verzoek om schadevergoeding van eiser op grond van artikel 82 AVG, voor zover de bestuursrechter dat kan beoordelen, geen verband houdt met een besluit op grond van artikel 15 tot en met 22 van de AVG.<footnote-ref linkend="_c6d7e0b4-6b90-4588-85c9-995db328bbc7" /> Daaronder valt bijvoorbeeld een besluit op een verzoek om inzage in de persoonsgegevens, of een besluit op een verzoek om beperking van de verwerking van persoonsgegevens. Alleen een besluit op basis van een van die artikelen kwalificeert als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.<footnote-ref linkend="_e29cdb42-ebb8-49e6-a915-07508dfa201f" /> Daarbij komt dat eiser in dit geval überhaupt niet de vrije keuze heeft om zijn verzoek tot schadevergoeding aan de bestuursrechter voor te leggen.<footnote-ref linkend="_c32cc6fc-2212-49f9-83c5-3da1923ef50c" /> De weg naar de bestuursrechter is wettelijk uitgesloten als er sprake is van een onrechtmatig besluit afkomstig van de Belastingdienst.<footnote-ref linkend="_f8738210-9600-4ba1-a765-50a76a3c482c" /><?linebreak?></para>
    <para>6. Dat bij vonnis van de kantonrechter van 14 juli 2023 de zaak is doorverwezen naar de bestuursrechter omdat eiser zijn verzoek heeft ingestoken als een beroep tegen het overschrijden van de beslistermijnen door verweerder, en daarbij heeft verwezen naar bepalingen uit de Awb, maakt dat niet anders. </para>
    <para />
    <para>7. Omdat de bestuursrechter onbevoegd is, krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht terug. Dit is vanwege de voorlopige vrijstelling van het griffierecht al geëffectueerd. </para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De bestuursrechter verklaart zich onbevoegd. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van </para>
      <para>mr. B.D.A. Mantingh, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op </para>
      <para>3 januari 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>rechter</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Informatie over hoger beroep</title>
    <para>Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.  </para>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_30ff938c-10b7-46a8-bc6f-e4c05e3f2f63" label="1">
    <para> Zie artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c6d7e0b4-6b90-4588-85c9-995db328bbc7" label="2">
    <para> Zie bijvoorbeeld de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland, van 2 augustus 2021, (ECLI:NL:RBMNE:2021:3645). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e29cdb42-ebb8-49e6-a915-07508dfa201f" label="3">
    <para> Zie artikel 34 van de Uitvoeringswet AVG (UAVG). </para>
  </footnote>
  <footnote id="_c32cc6fc-2212-49f9-83c5-3da1923ef50c" label="4">
    <para> Overeenkomstig artikel 8:88 van de Awb. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f8738210-9600-4ba1-a765-50a76a3c482c" label="5">
    <para> Artikel V Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>