<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:54</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-09T13:20:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-01-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/650209 / HA ZA 23-590</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_burgerlijkProcesrecht">Civiel recht; Burgerlijk procesrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:54">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:54</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-01-04T12:24:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-01-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:54 Rechtbank Den Haag , 03-01-2024 / C/09/650209 / HA ZA 23-590</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:54:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bevoegdheidsincident  (internationaal) inzake kansspelovereenkomst. Eindvonnis.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:54:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="ddfcb9c1-2afe-42e9-8f25-05a6dc942f57" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="84b751d7-f405-4c8e-acb0-f50cb9f65f86" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team handel</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/09/650209 / HA ZA 23-590</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis in incident van 3 januari 2024</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiser hoofdzaak/verweerder incident]
        </emphasis>, te [plaats],</para>
      <para>eiser in de hoofdzaak,</para>
      <para>verweerder in het incident,</para>
      <para>advocaat mr. B.Z. Loonstein te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de vennootschap naar buitenlands recht </para>
      <para>
        <emphasis role="bold">TRANNEL INTERNATIONAL LIMITED</emphasis>, te Sliema, Malta,</para>
      <para>gedaagde in de hoofdzaak,</para>
      <para>eiseres in het incident,</para>
      <para>advocaat voorheen mr. F.M.A. ’t Hart, nu mr. T. Novakovski, te Leiden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen zullen hierna [eiser hoofdzaak/verweerder incident] en Trannel genoemd worden.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>het tussenvonnis in incident 8 november 2023 (hierna: het tussenvonnis); </para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de nadere akte houdende uitlating producties in het incident van Trannel van 20 november 2023;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>de antwoordakte in het incident van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] van 6 december 2023.</para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 6 december 2023 heeft mr. ‘t  Hart zich onttrokken als advocaat van Trannel. Op 13 december 2023 heeft mr. Novakovski zich voor Trannel gesteld. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>2</nr>De verdere beoordeling in het incident</title>
    <bridgehead role="italic">Internationale bevoegdheid rechtbank</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <parablock>
        <para>In het tussenvonnis is Trannel in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over:</para>
        <para>i) 	het betoog van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] dat, kort gezegd, Trannel voordat partijen, op 14 augustus 2011, de (eerste) kansspelovereenkomst hebben gesloten haar activiteiten op Nederland heeft gericht en</para>
        <para>ii)	het beroep van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] op de bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 2 Brussel I bis. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Trannel heeft in haar nadere akte uitlating producties het onder i) bedoelde betoog van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] niet (gemotiveerd) weersproken. De door [eiser hoofdzaak/verweerder incident] gestelde en niet weersproken feiten en omstandigheden kunnen de conclusie dragen dat Trannel al voor het sluiten van de (eerste) kansspelovereenkomst haar commerciële activiteiten - met het oog op het aanbieden en sluiten van kansspelovereenkomsten - op Nederland heeft gericht. Gelet hierop en gelet op wat onder 2.8 van het tussenvonnis is beslist, moet worden geoordeeld dat de hoofdzaak betrekking heeft op een consumentenovereenkomst als bedoeld in artikel 18 Brussel I bis. Hieruit volgt dat het gerecht van de woonplaats van [eiser hoofdzaak/verweerder incident], dat is deze rechtbank, internationaal bevoegd is om van de hoofdzaak kennis te nemen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De slotsom is dat de vordering in het incident zal worden afgewezen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Proceskosten</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Trannel is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. [eiser hoofdzaak/verweerder incident] vordert een vergoeding van werkelijke proceskosten wegens misbruik van procesrecht en overtreding van artikel 20 en 21 Rv. Hierover wordt het volgende overwogen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Een vordering tot vergoeding van volledige proceskosten, in afwijking van het liquidatietarief, is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Van misbruik van procesrecht is sprake als de (incidentele) vordering, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, achterwege had moeten blijven. Dat zou in dit geval zo zijn als Trannel op voorhand had moeten begrijpen, dat haar vordering geen kans van slagen had. Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. In dit incident is beslissend of Trannel haar activiteiten vóór 14 augustus 2011 op Nederland heeft gericht. Dat is pas komen vast te staan nadat [eiser hoofdzaak/verweerder incident] zijn stelling had onderbouwd en Trannel op dit punt geen gemotiveerd verweer meer heeft gevoerd. Er kan niet zonder meer worden geconcludeerd dat Trannel op voorhand had moeten begrijpen dat de incidentele vordering geen kans van slagen had. Dat Trannel, zoals [eiser hoofdzaak/verweerder incident] heeft aangevoerd, in soortgelijke incidenten in andere zaken in het ongelijk is gesteld, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank zal de proceskosten dus begroten volgens het gebruikelijke liquidatietarief.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6.</nr>
      <parablock>
        <para>De proceskosten aan de zijde van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] worden als volgt begroot:<?linebreak?>- salaris advocaat:	€    897  (1,5 punt à € 598, volgens tarief II);</para>
        <para>- nakosten:		<emphasis role="underline">€    173, plus verhoging als het vonnis wordt betekend</emphasis></para>
        <para>Totaal:			€ 1.070	</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7.</nr>
      <para>De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Tussentijds hoger beroep?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8.</nr>
      <para>Voor het geval de rechtbank beslist dat zij bevoegd is van de vorderingen van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] kennis te nemen, verzoekt Trannel tussentijds hoger beroep van dit vonnis open te stellen. Zij betoogt daartoe, samengevat, dat een inhoudelijke beoordeling achterwege kan blijven, als blijkt dat de rechtbank niet bevoegd is. [eiser hoofdzaak/verweerder incident] bestrijdt de gegrondheid van dit verzoek.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9.</nr>
      <parablock>
        <para>Op grond van artikel 337 Rv geldt als uitgangspunt dat van een tussenvonnis zoals hier aan de orde, hoger beroep slechts tegelijk met dat van het eindvonnis kan worden ingesteld. Dit heeft als reden dat het tussentijds aanwenden van rechtsmiddelen leidt tot vertraging van de procedure en daarom als regel achterwege dient te blijven. Processuele doelmatigheid is in beginsel geen grond voor een uitzondering op deze hoofdregel.<footnote-ref linkend="_6258e557-3ed0-4503-abfe-025402bb023d" /></para>
        <para>Voor een zodanige uitzondering is - met het oog op de rechtszekerheid - slechts ruimte indien bijzondere procesrechtelijke redenen daartoe nopen. In dit geval ziet de rechtbank dergelijke bijzondere redenen niet. De rechtbank wijst het verzoek daarom af.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10.</nr>
      <para>
        [eiser hoofdzaak/verweerder incident] verzoekt om geen conclusie van antwoord meer toe te staan, althans een termijn van twee weken te geven voor een conclusie van antwoord, omdat Trannel de procedure onredelijk heeft vertraagd. Trannel heeft, ondanks dat zij de beschikking heeft over Nederlandse advocatenkantoren, geweigerd om domicilie te kiezen aan het adres van de behandelend advocaat, in de wetenschap dat vanuit Malta geen certificaten van betekening worden teruggestuurd. Dit levert al mogelijk zes maanden vertraging op. Ondanks dat Trannel een behandelend advocaat had, heeft zij geen advocaat gesteld op de eerst dienende dag en pas vlak voor de voor het verstekvonnis bepaalde datum het verstek gezuiverd. Vervolgens heeft Trannel geen conclusie van antwoord genomen, maar eerst een (kansloos) bevoegdheidsincident opgeworpen. Zij had het incident ook gelijktijdig met het inhoudelijke verweer kunnen opwerpen, aldus nog steeds [eiser hoofdzaak/verweerder incident]. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.11.</nr>
      <para>In deze zaak is verstek verleend op 19 juli 2023, één week na de eerst dienende dag. In zoverre is er vrijwel geen sprake van vertraging. Dat Trannel pas later is verschenen en eerst een bevoegdheidsincident heeft opgeworpen, is procesrechtelijk toegestaan en levert geen onredelijke vertraging op. Dat het bevoegdheidsincident op voorhand kansloos was, is niet gebleken. Er is dan ook geen grond om Trannel nu niet de gebruikelijke termijn voor een conclusie van antwoord te geven. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>3</nr>De beslissing</title>
    <para>De rechtbank</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">in het incident</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>wijst het gevorderde af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt Trannel in de proceskosten, aan de zijde van [eiser hoofdzaak/verweerder incident] begroot op</para>
        <para>€ 1.070, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Trannel niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet Trannel </para>
        <para>€ 90 extra betalen, plus de kosten van betekening;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>veroordeelt Trannel in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="bold">In de hoofdzaak</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.5.</nr>
      <para>verwijst de zaak naar de rolzitting van 14 februari 2024 voor conclusie van antwoord.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. P. Dondorp en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2024.<footnote-ref linkend="_4c5b4d8b-9487-4767-89ad-9568a40ba99c" /></para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
  <footnote id="_6258e557-3ed0-4503-abfe-025402bb023d" label="1">
    <para> HR 14 juli 2006, ECLI:NL:2006:AV9442.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c5b4d8b-9487-4767-89ad-9568a40ba99c" label="2">
    <para>type: 1554</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>