<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2024:5254</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-12T15:50:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2024-04-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/842263-18 Ontnemingsvonnis</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#opTegenspraak">Op tegenspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:5254">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2024:5254</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-04-12T14:59:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2024-04-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2024:5254 Rechtbank Den Haag , 12-04-2024 / 09/842263-18 Ontnemingsvonnis</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2024:5254:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>ontnemingsvonnis</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2024:5254:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Meervoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummer: 09/842263-18 (ontnemingsvonnis)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak: 12 april 2024</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak (art. 279 Sv)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Den Haag heeft op de vordering van het openbaar ministerie en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak ten aanzien van de veroordeelde:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [veroordeelde]
        </emphasis>,</para>
      <para>geboren op [geboortedag] 1972 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>op dit moment uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting [naam inrichting] te [plaats] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek op de terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vordering is – gelijktijdig met de samenhangende strafzaak – behandeld ter terechtzitting van 1 april 2019 (regie) en 29 maart 2024 (inhoudelijk). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling kennisgenomen van het voornemen van de officier van justitie om ter terechtzitting haar niet-ontvankelijkheid te vorderen.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van het standpunt dat de officier van justitie mr. S. van Dongen op de terechtzitting heeft ingenomen en van hetgeen door de veroordeelde en zijn raadsman mr. R.A.C. Frijns op de terechtzitting naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De inhoud van de vordering</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De inleidende schriftelijke vordering van het openbaar ministerie strekt ertoe dat de rechtbank het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel zal schatten en vaststellen op een bedrag van € 0,10 en aan de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de staat van dat bedrag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>De ontvankelijkheid</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de officier van justitie</emphasis>
      </para>
      <para>De officier van justitie heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering. Het standpunt van de officier van justitie houdt - kort samengevat - in dat het Openbaar Ministerie nooit de intentie heeft gehad om een ontnemingsvordering aan te brengen. Dat er uiteindelijk wel een vordering is aangebracht heeft alleen een administratief motief gehad in verband met het conservatoir beslag. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het standpunt van de verdediging</emphasis>
      </para>
      <para>De raadsman heeft naar aanleiding van het standpunt van de officier van justitie geen inhoudelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het oordeel van de rechtbank </emphasis>
      </para>
      <para>Rechterlijke toetsing van de wijze waarop het Openbaar Ministerie is omgegaan met haar bevoegdheid om tot vervolging over te gaan geschiedt met de nodige terughoudendheid. In beginsel dient de rechter de beleidsvrijheid van het Openbaar Ministerie te respecteren. De rechter dient daarbij met name de zienswijze van het Openbaar Ministerie ten aanzien van het belang bij een ingezette strafvervolging expliciet mee te wegen (HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280). Naar het oordeel van de rechtbank geldt een dergelijke terughoudendheid in de rechterlijke toetsing ook waar het gaat om de bevoegdheid tot voortzetting van de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet, mede gelet op de terughoudendheid die in deze moet worden betracht, geen redenen om tot een anders oordeel te komen dan de officier van justitie. Zij heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met voortzetting van de ontnemingsprocedure geen strafrechtelijk belang is gediend. Het niet langer voortzetten van de ontnemingsprocedure is ook niet onverenigbaar met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank zal de officier van justitie dan ook niet-ontvankelijk verklaren in de (verdere voortzetting van de) ontnemingsprocedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr. F.A.M. Veraart,							voorzitter,</para>
      <para>mr. M.L. Harmsen,							rechter,</para>
      <para>mr. S. Pereth,								rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. A.C. Veltink,				griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 april 2024.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>